Er zijn pianisten die noten spelen, en er zijn pianisten die een innerlijke wereld openen. Alexandre Kantorow behoort onmiskenbaar tot die laatste categorie. In Keys to the Soul transformeerde hij op maandag 23 maart Studio 4 in Flagey tot een ruimte waarin klank, stilte en emotie elkaar ontmoetten, waar iedere aanslag betekenis kreeg en iedere stilte ademde. Terwijl Brussel die avond werd opgeschrikt door een bommelding, trok dit recital in het kader van het Klarafestival de luisteraar vanaf het eerste moment in een bijna fysieke nabijheid van de muziek en groeide het uit tot een innerlijke expeditie door de diepste lagen van klank en gevoel, een van de meest indringende recitals die ik ooit heb meegemaakt.
Van melancholie tot introspectie
Het recital begon met Variaties op het thema van ‘Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen’, S. 180, van Franz Liszt (1811-1886). Hier ontvouwde zich onmiddellijk een universum van emoties. Kantorow liet de variaties ademen als een continu gesprek tussen licht en duisternis, met een opvallend transparante stemvoering in de meerstemmige passages. De bassen brulden zacht in de zaal, diep maar nooit zwaar aangezet, de hoogste noten tintelden als zonlicht dat door een wolkendek breekt. Elke variatie was een aparte ademhaling van de ziel: de melancholie, de vurige opwellingen, de verstilde momenten van contemplatie vormden samen een organisch geheel. Liszts complexe technische uitdagingen werden nooit een doel op zich; ze dienden de dramatische en spirituele contouren van het werk, waarbij Kantorow op onnavolgbare wijze de luisteraar liet voelen hoe de emoties van de componist rechtstreeks door de toetsen tot leven kwamen.
Met de Pianosonate in f, op. 5, van Nikolai Medtner (1880-1951) verschoof de introspectie naar een dieper psychologisch vlak. Het is immers een sonate die de menselijke ziel blootlegt in al haar spanning en verlangen. De eerste beweging raasde met een innerlijke energie die de luisteraar onmiddellijk dwong tot aandacht: elke frasering, elke dynamische curve was doordrenkt van een menselijk zoeken, met een sterk gevoel voor spanningsopbouw over langere lijnen. In de derde beweging, Largo divoto, ontvouwde zich een bijna liturgische sereniteit: Kantorow liet de tijd vertragen en de ruimte tussen de noten spreken, zonder dat de spanningsboog verslapte, waardoor Medtners vaak vergeten sonate niet alleen gehoord, maar ook indringend beleefd kon worden. Kantorows spel voelde tijdens een half uur aan alsof hij zelf de existentiële vragen van de componist doorleefde, waardoor iedere noot een diepere betekenis kreeg. Dit stuk was een openbaring.
Miniaturen als psychologisch theater
Na de pauze introduceerde de Prélude in cis, op. 45, van Frédéric Chopin (1810-1849) een subtiele verschuiving naar intieme reflectie. Het korte werkje, bijna een fluistering, werd door Kantorow uitgerekt tot een indringende adempauze waarin de luisteraar elke aanslag kon proeven. Het werd zo tot een moment waarin kwetsbaarheid voelbaar werd. Chopin, zo vaak opgevoerd als virtuoze oefening, werd hier een contemplatie, een meditatieve introspectie van het menselijke hart. In dit moment werd de luisteraar als het ware uitgenodigd om zelf stil te worden, en de resonantie van de piano te laten binnendringen in de eigen gedachten en gevoelens.
Een verrassende en fascinerende wending kwam met La chanson de la folle au bord de la mer, uit 25 Préludes, op. 31, van Charles-Valentin Alkan (1813-1888). Alkan, vaak een buitenstaander in het concertrepertoire, werd door Kantorow tot leven gebracht als psychologische verteller. De bizarre sprongen, de grillige ritmes en de melodische wendingen vormden een portret van innerlijke waanzin en melancholie, scherp gearticuleerd en met een bijna theatrale timing. Kantorow vond daarin de ideale balans tussen groteske humor en diepe emotionele ernst; het stuk werd een verhaal over menselijke kwetsbaarheid, absurditeit en schoonheid. Hier toonde hij ook zijn wonderlijke gevoel voor karakterisering, waarbij elke frase een haast theatrale lading kreeg. Ook dit stuk was weer een fascinerende ontdekking.
Met Vers la flamme, op. 72, van Alexander Scriabin (1872-1915) werd het concert een ritueel van licht en energie. Kantorow liet de vlammen van Scriabin letterlijk dansen: de trillers en harmonieën flikkerden door de zaal en wekten een gevoel van transcendentaal vuur op. Dit werk, dat zo vaak abstract of afstandelijk klinkt, werd een lichamelijke, spirituele ervaring. Het publiek werd niet alleen toeschouwer, maar deelnemer aan een ontbranding waarin iedere nuance, iedere harmonische spanning, de ruimte leek te vullen met licht en energie die verder reikte dan het tastbare klankbereik van de piano.
Beethoven als culminatiepunt
Opvallend was hoe deze drie kortere werken zonder onderbreking in elkaar overgingen, waardoor een coherente spanningsboog ontstond die als vanzelf leidde naar het monumentale sluitstuk van de avond, de Pianosonate nr. 32 in c, op. 111, van Ludwig van Beethoven (1770-1827). De eerste beweging pulseerde van universele dramatiek: krachtig, urgent, geladen met spanning, maar nooit louter demonstratief. De Arietta: Adagio molto semplice e cantabile ontvouwde zich als een serene, etherische meditatie, waarin elke klank en elke stilte zich spiegelt aan het innerlijk van de luisteraar. Hier werd tijd vloeibaar, klank een spiegel van het menselijk streven, en de muziek zelf een contemplatie van strijd en verzoening. Kantorow bracht een balans tussen concentratie en emotionele overvloed, waardoor Beethovens laatste sonate voelde als een voltooiing van de reis die het recital van Liszt tot Scriabin had ingezet.
Als subtiele en perfecte afsluiter volgde als bisnummer een beklijvende Liebestod uit Tristan und Isolde van Richard Wagner (1813-1883), in de transcriptie van Franz Liszt (1811-1886). Beter had dit magistrale recital niet kunnen eindigen: een weldadig orgelpunt van een perfect uitgekiend programma dat menigeen naar de keel greep.
Een openbaring van de ziel
Wat Keys to the Soul onvergetelijk maakte, was de coherentie en diepgang van Kantorows benadering. Liszt, Medtner, Chopin, Alkan, Scriabin, Beethoven en Wagner/Liszt waren geen louter opeenvolgende namen, maar vormden een zorgvuldig opgebouwde dramaturgie waarin melancholie, passie, introspectie, absurditeit, mystiek en transcendentie elkaar versterkten. Kantorow toonde hoe muziek kan ademen en resoneren, hoe stilte en klank elkaar ontmoeten om de luisteraar diep te raken.
Zo werd Keys to the Soul niet zomaar een recital, maar een pelgrimage door klank en tijd – een zeldzaam moment van innerlijke schoonheid waarop Kantorow de muziek niet alleen liet klinken, maar ook iets wezenlijks onthulde.