Naar de inhoud
Recensie

Britse sprankeling en Russische monumentaliteit in De Singel

W
· 6 min lezen
Deel dit artikel
Britse sprankeling en Russische monumentaliteit in De Singel
© Dieter Daniëls

Wanneer een orkest met de internationale reputatie van het City of Birmingham Symphony Orchestra (CBSO) op tournee door Europa trekt, zijn de verwachtingen vanzelfsprekend hoog. In De Singel bracht het ensemble op zaterdag 7 maart onder leiding van chef-dirigent Kazuki Yamada een programma dat zowel orkestrale virtuositeit als pianistische bravoure beloofde: een Britse ouverture van William Walton (1902-1983), het iconische Eerste Pianoconcerto van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) met de gerenommeerde Bruce Liu als solist en na de pauze Schilderijen van een tentoonstelling van Modest Moessorgski (1839-1881) in de kleurrijke orkestratie van Maurice Ravel (1875-1937).

Vanaf de eerste noot hing er spanning in de zaal; het zachte geritsel van programma’s verstomde en iedereen voelde dat er iets bijzonders zou gebeuren.

Sprankelende energie

De avond stak van wal met Waltons ouverture Portsmouth Point, een kort maar spectaculair orkestwerk dat sinds zijn première in 1926 een vaste plaats in het Britse repertoire heeft. Walton liet zich inspireren door een satirische gravure van Thomas Rowlandson waarop het chaotische havenleven van Portsmouth wordt uitgebeeld – en die drukte hoor je ook in de muziek.

Met een helder, precies gebaar en een scherp gevoel voor ritme hield Yamada het orkest strak bij elkaar. Het CBSO reageerde alert en speelde met indrukwekkende precisie: nerveuze ritmes, puntige accenten en een bijna jazzy energie gaven de muziek een aanstekelijke vaart en een licht sprankelend karakter. De kopersectie schitterde met een heldere projectie, terwijl percussie, houtblazers en strijkers de motoriek van de partituur soepel lieten draaien. Opvallend was hoe Yamada zijn musici subtiel aanmoedigde met korte knikjes en opgestoken duimen.

Het publiek werd meteen gegrepen en het orkest kon zijn virtuositeit volledig tonen. De ritmische sprankeling van Walton legde de basis voor het rijke spectrum dat later in Tsjaikovski en Ravel verder tot uitdrukking kwam.

Dialoog van vuur en adem

Daarna volgde een van de populairste concertwerken uit het romantische repertoire: Tsjaikovski’s Pianoconcerto nr. 1. Zodra de monumentale openingsakkoorden door de zaal rolden, werd duidelijk dat Yamada voor een brede, warme orkestklank koos. Met Bruce Liu kreeg het publiek een pianist te horen die sinds zijn overwinning in het Internationaal Chopinconcours van Warschau (2021) tot de meest gevraagde pianisten van zijn generatie behoort. Zijn spel viel meteen op door een elegante, heldere aanslag die zelfs in de meest virtuoze passages luchtig, transparant en levendig bleef.

Al snel bleek hoe hecht de muzikale band tussen Yamada en Liu was. Orkest en solist leken in perfecte symbiose te ademen, alsof elke noot een intiem gesprek vormde. In het eerste deel viel vooral Liu’s natuurlijke frasering op. De snelle loopjes en arpeggio’s klonken moeiteloos, maar nooit als louter technisch vertoon. Hij hield steeds de melodische lijn centraal, waardoor de muziek ademend en spannend bleef. De grote cadens maakte indruk door Liu’s feilloze techniek; elke toon was zorgvuldig geplaatst en het publiek luisterde ademloos.

Het Andantino semplice bracht een moment van verstilling. Liu speelde de lyrische lijnen met een bijna poëtische verfijning, terwijl het orkest een luchtig, doorzichtig tapijt van klank neerlegde. Fraai waren de etherische solo’s van fluit, hobo en cello, die het intieme karakter extra kleur gaven. Opnieuw bleek hoe zorgvuldig Yamada de balans tussen solist en orkest bewaakte. In het Allegro con fuoco kwam daarna het temperament van de muziek volop naar boven. Pianist en orkest vonden elkaar in een energieke dialoog die steeds verder werd opgevoerd richting de slotclimax. De finale ontplooide zich als een vurig vuurwerk, waarbij het orkest de piano nooit overschaduwde. Het applaus klonk als een hartelijke omhelzing voor een uitvoering die door virtuositeit en muzikaliteit de luisteraars diep raakte.

Met Fantaisie-Impromptu, op. 66, van Frédéric Chopin (1810-1849) als bisnummer bracht Bruce Liu het publiek opnieuw in vervoering. Zijn spel combineerde briljante virtuositeit met lyrische diepgang. Liu’s aanslag bleef licht en transparant, en elke nuance leek zorgvuldig te worden geschilderd, alsof de piano verhalen fluisterde die alleen deze avond konden klinken. Het publiek hing aan zijn vingers, betoverd door zijn virtuositeit.

Orkestrale schilderkunst

Na de pauze kreeg het CBSO alle ruimte om zijn kwaliteiten te tonen in Schilderijen van een tentoonstelling van Modest Moessorgski, in de orkestratie van Maurice Ravel. Deze orkestversie is uitgegroeid tot een van de kleurrijkste partituren uit het symfonische repertoire, een ware staalkaart van orkestrale verbeeldingskracht en rijkgeschakeerde klankpracht.

Yamada bleek daarbij een uitstekende gids. Het orkest maakte elk penseelstreekje van Ravel hoorbaar, van het zachtste detail tot de grootste orkestrale kleurvlakken. De verschillende Promenades kregen onder zijn leiding een natuurlijke ademhaling, alsof het publiek samen met de componist langs de schilderijen wandelde. De orkestsolo’s die deze wandelmomenten kleurden, klonken loepzuiver en karaktervol.

Gnomus kwam scherp en grotesk uit de verf, met hoekige accenten in koper en slagwerk. Wanneer daarna opnieuw een Promenade opdook, leek de muziek even tot rust te komen – een korte adempauze voor het volgende tafereel. Dat tafereel was Het oude kasteel, en hier volgde een van de mooiste momenten van de avond. Als een eenzame troubadour zweefde de altsaxofoon boven het fundament van cello’s en contrabassen; de zaal hield de adem in, betoverd door de melancholie van de melodie.

Het CBSO liet in elk schilderij horen hoe homogeen het ensemble is: warme, goed gedragen strijkers, karaktervolle houtblazers en een kopersectie die krachtig kan uitpakken zonder ooit de balans te verliezen. In Tuileries dartelden de houtblazers lichtvoetig door de orkesttextuur, alsof kinderen spelend door de Parijse tuin rennen. Het Ballet van de kuikens bracht daarna een speelse lichtheid, bruisend en ondeugend van karakter.

Het monumentale slot De grote poort van Kiev groeide uit tot een indrukwekkende apotheose. Yamada bouwde de spanning zorgvuldig op, stap voor stap, naar een weelderige climax waarin koper, strijkers en slagwerk een overweldigende grandeur creëerden.

Een gedeeld feest

Gedurende het hele concert viel op hoe zichtbaar Yamada het CBSO bezielde. De musici speelden met aanstekelijk enthousiasme, alsof ze zelf deel uitmaakten van een feest van klank en virtuositeit.

Het publiek in de uitverkochte Blauwe Zaal reageerde uitbundig. Het orkest bedankte met een indringende toegift, het meeslepende A Pine Forest in Winter uit de Notenkraker van Tsjaikovski, een stralende kers op de muzikale taart. Dirigent en musici namen al zwaaiend afscheid van een tevreden publiek, dat huiswaarts trok met een hart vol muziek.

Deel dit artikel

Reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste om te reageren.

Laat een reactie achter

Reacties worden nagelezen voor ze verschijnen.

NL