Zum Inhalt springen
Rezensionen

Diep luisteren, sprankelend spreken: Sào en Cosima Soulez Larivière in de Kleine Zaal

W
· 7 Min. Lesezeit
Diesen Artikel teilen
Diep luisteren, sprankelend spreken: Sào en Cosima Soulez Larivière in de Kleine Zaal
© Werner De Smet

In de Kleine Zaal van het Concertgebouw te Amsterdam klonk op vrijdagavond 16 januari geen jeugdige bravoure, maar een opmerkelijk rijpe omgang met kamermuziek. Alle gespeelde werken pasten wonderwel in de intimiteit van deze zaal, waar Sào en Cosima Soulez Larivière zich presenteerden als de bezielde initiatiefnemers van een programma dat met vanzelfsprekende muzikaliteit werd geconcipieerd en uitgevoerd. Het recital ontwikkelde zich tot een fijnzinnige bespiegeling over klankkleur, stijl en persoonlijke betrokkenheid, en onderscheidde zich door een programmatische ernst die zelden zo overtuigend door jonge musici wordt gedragen: een stemmingsvolle muzikale avond die van bij aanvang de luisteraar op weg nam naar de diepste zieleroerselen van de mens.

Een laboratorium van jong talent

Het optreden kaderde binnen de serie ‘Jonge Nederlanders’, een platform waar musici met Nederlandse wortels en internationale ervaring de vrijheid krijgen hun artistieke stem te verkennen en te verfijnen. De reeks is geen vrijblijvende etalage van jong talent, maar een denkruimte: de uitvoerders bepalen zelf repertoire, dramaturgie en interpretatie, en nodigen het publiek uit tot een gedeeld luisterproces. Dat gedeelde luisteren werd hier expliciet gestimuleerd door korte, weloverwogen toelichtingen: vóór de pauze door Sào, na de pauze door Cosima, die met uitgekiende citaten de dramaturgie van de avond ontvouwden en duidelijk maakten dat dit geen ‘gewoon’ concert zou worden, maar een doorleefde muzikale reis waarin elk werk een noodzakelijke plaats innam binnen een groter narratief.

Als spilfiguren van de avond traden broer en zus Soulez Larivière naar voren met een zeldzame vanzelfsprekendheid in hun samenspel. Sào, de Frans-Nederlandse altviolist, manifesteerde zich als een musicus met een uitgesproken profiel: technisch onverschrokken, maar steeds gedragen door een warme, poëtische klank die daarbij de muzikale lijn nooit uit het oog verloor. Zijn zus Cosima Soulez Larivière vulde dat perspectief aan met een vioolspel dat lyriek en scherpzinnigheid verenigde, waarin elke nuance doelgericht werd ingezet. Samen ontwikkelden zij een dialoog waarin geen frase vrijblijvend bleef, maar elke muzikale gedachte haar volle betekenis kreeg. Een enkele blik tussen beiden volstond om het muzikale verloop subtiel te kantelen; hun samenspel ademde een vanzelfsprekendheid die alleen uit gedeelde ervaring kan ontstaan en die het luisteren een bijzondere intensiteit meegaf.

Intiem gesprek tussen meesters

Door Sào en Cosima Soulez Larivière zorgvuldig om zich heen verzameld, vervolledigden Martina Consonni en Bruno Philippe het muzikale discours van de avond. Consonni, een Italiaanse pianiste met een fijnzinnig oor voor transparantie en kleur, maakte van de piano geen begeleidend instrument, maar een volwaardige gesprekspartner die de klankwereld van Bruch en Schumann van binnenuit mee vormgaf. Bruno Philippe, de Franse cellist, verenigde lyrische intensiteit met structurele helderheid, en gaf Beethovens strijktrio en de daaropvolgende Hongaarse werken een dragende onderlaag waarin spanning en expressie elkaar voortdurend in evenwicht hielden. Zijn spel viel op door een zeldzame combinatie van sonore diepte, flexibiliteit en retorisch bewustzijn: elke inzet had richting, elke frase gewicht. Iedere musicus kreeg echter ruimte voor uitgesproken solistische momenten, zonder daarbij ooit het ensemble uit het oog te verliezen.

Klank, dramaturgie en poëzie

Het programma ontvouwde zich als een doordachte dialoog tussen Duits en Hongaars kamermuziekrepertoire, waarin kleur, dramatiek en volksmuzikale onderstromen elkaar in wisselende gedaanten ontmoetten. De avond opende met drie delen uit de Acht Stücke, op. 83, van Max Bruch (1838-1920) in een subtiele bewerking voor viool, altviool en piano. Hier werd onmiddellijk de toon gezet: geen bravoure, maar diep doorleefde muzikaliteit. Het Andante bouwde een ingetogen lyrische spanning op, het Allegro con moto behield zijn heftigheid zonder aan vormvastheid in te boeten, terwijl het Nachtgesang een melancholische verstilling teweegbracht die de zaal hoorbaar tot rust bracht. Een bijna sprookjesachtige inleiding die verwarmde voor wat nog zou volgen.

De Märchenerzählungen van Robert Schumann (1810-1846) vormden het zwaartepunt van het eerste deel. Dit vierluik, schijnbaar licht en verhalend, ontvouwde zich in een fijnzinnig spel van karakterwisselingen: nu eens levendig en speels, dan weer introspectief en ingekeerd. De articulatie bleef steeds plastisch en betekenisvol, waarbij de pianistische bijdrage van Martina Consonni ver boven een louter begeleidende rol uitstak en uitgroeide tot een volwaardige, narratieve stem binnen het ensemble.

Na iedere beweging van Schumann weerklonk een deel uit Hommage à R. Sch. van György Kurtág (°1926). Dit was een bewuste keuze van de musici om zo “de bovennatuurlijke en gefragmenteerde kwaliteiten die Kurtágs verre klanklandschappen en Schumanns innerlijke wereld delen extra te belichten, en de dubbele persoonlijkheden, Florestan en Eusebius, te belichamen.” Wat op het eerste gezicht een eigenaardige vermenging van oud en nieuw leek, bleek inhoudelijk noodzakelijk: waar Schumann het volledige scala aan emoties oproept, geeft Kurtág een stem aan diens breekbaarheid en kwetsbaarheid, en toont hij de scheuren waarlangs die emotionele wereld langzaam desintegreert.

De confrontatie was intens en beklijvend, moeilijk in woorden te vatten, maar broodnodig. Jammer genoeg werd deze intieme reis even verstoord door applaus na Schumann, terwijl juist de laatste Kurtág-delen de broodnodige epiloog vormden. Met twee doffe slagen op de pauk kreeg ook het abrupt definitieve een stem; je kon een speld horen vallen, vóór een uitbundig applaus als dank voor zoveel doorleefde muzikaliteit losbarstte.

Na de pauze trad het strijktrio aan, met Bruno Philippe op cello, in het Strijktrio in c, op. 9 nr. 3 van Ludwig van Beethoven (1770-1827). Deze vroege Beethoven, nog schatplichtig aan de klassieke traditie maar al vol vooruitwijzende energie, bracht de kernkwaliteiten van het ensemble scherp in beeld. Hier klonk geen lichtvoetige overgang, maar een herordening na de existentiële geladenheid van Schumann en Kurtág: Beethoven als moreel en structureel anker.

De ernst van Beethoven werd met grote concentratie benaderd, de formele opbouw met opgewekte alertheid gerealiseerd; het Adagio ademde een ingehouden poëzie waarin Bruno Philippe een dragende, bijna vocale rol vervulde, terwijl Scherzo en Finale uitpakten met ritmische scherpte en transparant samenspel. Philippes cellopartij gaf het trio niet alleen fundament, maar ook richting: zijn frasering bepaalde de spanningsbogen en verleende het geheel een overtuigende architectuur.

Het slot van de avond was voor twee uitgesproken Hongaarse werken voor strijktrio: het Intermezzo van Zoltán Kodály (1882–1967) en de Serenade in C, op. 10, van Ernő Dohnányi (1877–1960). Na de ernst van Beethoven volgde hier verfrissing, maar nooit op een oppervlakkige of goedkope manier. In Kodály klonk de volksmuzikale zindering door een gelaagde, prismatische romantiek; Dohnányi ontvouwde een caleidoscoop van stemmingen, van marsachtige energie tot een verstilde Romanza, waarbij niet alleen de composities, maar ook de uitvoering ‘paprika’ in zich droegen en de solistische kwaliteiten van alle drie strijkers ten volle tot hun recht kwamen.

Het gezicht van jong talent

Wat deze uitvoering onderscheidde, was niet alleen de technische beheersing, maar een doordacht kamermuzikaal denken. De wisselende bezettingen – eerst pianotrio, daarna strijktrio – brachten telkens nieuwe klankkleuren, maar herschikten ook subtiel de dramaturgie van het programma, waardoor ieder werk een eigen adem kreeg. Dat broer en zus zich met evenveel maturiteit in beide genres bewegen, werkte ronduit verbluffend en onderstreepte hun uitzonderlijke muzikale veelzijdigheid.

Voor het bisnummer keerde de pianiste terug en brachten de vier musici een weldadige uitvoering van het langzame deel uit Schumanns pianokwartet. Een beter slot van deze avond was nauwelijks denkbaar.

Deze avond werd een bijzonder recital gebracht waarin luisteren en beleven samenvloeiden, een intiem gesprek tussen uitvoerders en publiek, in de geest van de serie 'Jonge Nederlanders': jonge musici die niet enkel spelen, maar diep luisteren en met hun instrument spreken. Broer en zus Soulez Larivière, maar ook hun muzikale partners Martina Consonni en Bruno Philippe, zijn rasmuzikanten pur sang. Wie hun namen op een affiche ziet staan, mag niet twijfelen en gaat naar hun volgende concert!

Diesen Artikel teilen

Kommentare

Noch keine Kommentare. Sei der Erste, der kommentiert.

Kommentar hinterlassen

Kommentare werden vor der Veröffentlichung geprüft.

DE