Zum Inhalt springen
Rezensionen

Een nieuwjaarsconcert met ruggengraat

W
· 6 Min. Lesezeit
Diesen Artikel teilen
Een nieuwjaarsconcert met ruggengraat
© Marin D.

Nieuwjaarsconcerten bewegen zich traditioneel op het snijvlak tussen ritueel en repertoire. Het programma dat het Belgian National Orchestra (BNO) in Bozar op zondag 11 januari presenteerde als onderdeel van zijn jaarlijkse nieuwjaarstraditie, koos niet voor een thematische kapstok in de gebruikelijke zin, maar voor een muzikaal principe: dans als vormgevend element. Daarmee plaatste dit concert zich bewust buiten het vertrouwde keurslijf van het lichtvoetige feestprogramma en koos het voor een inhoudelijke lijn die ook in een nieuwjaarscontext standhield. Die keuze vroeg om een dirigent die coherentie boven effect stelt en die vond ze in Tianyi Lu.

Lu’s dirigeerstijl is opvallend onopgesmukt. Ze zoekt haar zeggingskracht niet in grote gebaren, maar in controle over puls, overgangen en spanningsopbouw. Dat bleek essentieel in een programma dat compositorisch en historisch sterk uiteenliep. Lu bevestigde hier haar reputatie als dirigent die repertoire niet vanuit retoriek benadert, maar vanuit interne samenhang en architectuur – een aanpak die steeds nadrukkelijker haar handelsmerk wordt. Haar lezing maakte duidelijk dat dans – in al zijn verschijningsvormen – in de kern draait om verhouding: tussen maat en vrijheid, herhaling en variatie, collectieve beweging en individuele expressie, en om de manier waarop puls richting geeft aan expressie.

Van Dvořák tot Price: dans als vorm en betekenis

De twee Slavische Dansen van Antonín Dvořák (1841-1904) werden niet uitgesponnen als folkloristische kleurstukken, maar strak gehouden in hun vorm. Lu koos voor helderheid en een licht geprofileerde articulatie, waardoor de volksmuzikale oorsprong hoorbaar bleef zonder te domineren. Het BNO speelde met veerkracht en discipline; vooral in de binnenstemmen werd zorgvuldig gebouwd aan een transparante klankstructuur, die de dansimpuls onderhuids liet werken. Waar de eerste dans (Op. 46, nr. 1) nog iets pittiger had mogen zijn, werkte deze aanpak perfect in de meer melancholische tweede dans (Op. 72, nr. 2).

In de Juba Dance uit de Eerste Symfonie van Florence Price (1887-1953) verschoof het perspectief. Price, de eerste Afro-Amerikaanse vrouw wier symfonisch werk door een groot Amerikaans orkest werd uitgevoerd, schreef deze muziek vanuit een spanningsveld tussen Europese symfonische traditie en Afro-Amerikaanse danscultuur. Hier is dans dus niet louter vorm, maar betekenisdrager. Binnen een nieuwjaarsprogramma werkte dit fragment daardoor niet als ontspanning, maar als moment van concentratie en bewustwording. Lu benaderde dit deel niet programmatisch, maar structureel: door de ritmische gelaagdheid consequent uit te tekenen, liet zij de muziek haar eigen geschiedenis vertellen. Lu lichtte ook de historische context van deze dansvorm toe en het belang ervan binnen de Afro-Amerikaanse slavencultuur. In zowel compositie als uitvoering werd voelbaar hoe levensenergie hier botst met onderdrukking.

Piazzolla en Thuriot: de dans geïndividualiseerd

Met Astor Piazzolla (1921-1992) werd de dans geïndividualiseerd. Rasmuzikant Philippe Thuriot (°1967) vervoegde het orkest als solist. Hij benaderde zijn accordeon niet als solistisch contrast tegenover het orkest, maar als een stem binnen het geheel. In Invierno Porteño en Oblivion lag de expressie in de frasering, in de gecontroleerde vertragingen en subtiele accenten. Thuriot, die zich al jaren beweegt op het snijvlak van klassieke muziek, jazz en wereldmuziek, voelde zich zichtbaar thuis in Piazzolla’s hybride idioom en vermeed het theatrale; zijn spel bleef introspectief, bijna terughoudend, waardoor nadrukkelijk spanning ontstond via timing en klankkleur. De overgang van symfonische dans naar Piazzolla’s stedelijke tango verliep opvallend organisch. Lu begeleidde met een slank gehouden orkesttextuur, waarin de melodische lijnen ruimte kregen zonder hun richting te verliezen, terwijl een bijzonder verfijnde strijkersklank beide werken extra reliëf gaf.

Ook in À tous et à Toots / Valse à Christiaan – beide composities van Thuriot zelf – die naadloos in elkaar overvloeiden, werd die integratie doorgetrokken. De accordeon fungeerde hier niet als exotisch element, maar als verlengde van de danslogica die het programma onderbouwde. De wals kreeg een persoonlijke, maar niet sentimentele toon en weerklonk zo eerder reflectief dan nostalgisch. Thuriot speelde daarbij ook mondharmonica en bracht zo hommage aan Toots Thielemans, één van onze grootste muzikanten ooit. Dit intieme moment veroorzaakte een duidelijke verschuiving in sfeer in de zaal. Het arrangement van BNO-muzikant Ward Opsteyn werkte wonderwel; Thuriot bedankte hem daar ook expliciet voor, een zeldzaam moment van open collegialiteit binnen een formele concertcontext.

Russische dans tussen uitbundigheid en verstilling

Met de Dans van de Narren uit Snegurochka van Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908) weerklonk een volbloed Russische dans, waarbij de orkestleden zich konden uitleven. Nadien fungeerde het Zwanenmeer van Peter Tchaikovsky (1840-1893) als een moment van stilstand binnen de beweging: dans die zich losmaakt van de grond. Er weerklonken vier fragmenten waarin lyrische en karaktervolle scènes elkaar afwisselden, en waarin hout- en koperblazers zich onderscheidden met loepzuivere solo’s.

Strauss zonder franjes

In het afsluitende Strauss-repertoire met een pittige ouverture tot Die Fledermaus, een stijlvolle An der schönen blauen Donau en een spitante Unter Donner und Blitz  van Johann Strauss Jr. (1825-1899) – werd duidelijk hoe consequent zij het dansprincipe hanteerde. Geen opgeblazen rubati, geen kosmetische versnellingen, soms nog wat ongepolijst, maar met een zorgvuldig uitgebalanceerde flow, waarin timing belangrijker was dan effect. Natuurlijk mocht ook de obligate Radetzkymars van Johann Strauss sr. (1804-1849) niet ontbreken, waarbij het publiek zich gewillig liet meenemen in het traditionele rituele klappen, zonder te vervallen in vrijblijvende routine…

Overtuiging boven effect

Traditiegetrouw zat de Henry Le Boeufzaal afgeladen vol, en die tot de nok gevulde zaal straalde een opvallende energie uit op Lu, Thuriot en het BNO. Samen hadden ze dit verrassende en afwisselende programma trouwens al de voorbije week op tournee door België gebracht, en je merkte meteen hoe perfect dirigent, solist en orkest op elkaar waren ingespeeld. Tijdens de onderhoudende toelichtingen tussendoor ontbraken de wederzijdse lofbetuigingen niet – meer dan terecht, zichtbaar in glimlachjes, in het oogstrelende samenspel en zelfs in Lu, die af en toe subtiel meedanste. Aan het einde werd dit gevoel nog eens benadrukt, toen Lu persoonlijk alle verschillende orkestsecties bedankte.

Wat dit concert uiteindelijk onderscheidde, was de ernst waarmee het zogezegd lichte repertoire werd benaderd. Niet door het te verzwaren, maar door het structureel serieus te nemen. Binnen de nieuwjaarstraditie van Bozar liet dit concert zien dat een feestelijk kader ook ruimte kan bieden voor coherentie en artistieke diepgang. Het deed precies wat een nieuwjaarsconcert moet doen: mensen even de kommer en kwel in de wereld laten vergeten en laten merken dat schoonheid nog altijd bestaat.

Tianyi Lu dacht het programma vanuit beweging en verhouding, Philippe Thuriot voegde een persoonlijke, maar ingehouden stem toe, en het Belgian National Orchestra musiceerde met aandacht voor detail en samenhang. Zo kreeg dit nieuwjaarsconcert een inhoudelijke ruggengraat: een uitvoering die niet wilde imponeren, maar overtuigen. Lu, Thuriot en de orkestleden van het BNO slaagden daar wonderwel in en werden met een uitbundige – en meer dan terechte – staande ovatie door het publiek bedankt.

Diesen Artikel teilen

Kommentare

Noch keine Kommentare. Sei der Erste, der kommentiert.

Kommentar hinterlassen

Kommentare werden vor der Veröffentlichung geprüft.

DE