Zum Inhalt springen
Rezensionen

Mahlers Auferstehung met Lorenzo Viotti: existentiële noodzaak of slechts effect?

W
· 6 Min. Lesezeit
Diesen Artikel teilen
Mahlers Auferstehung met Lorenzo Viotti: existentiële noodzaak of slechts effect?
© Melle Meivogel

Mag een recensent kritisch blijven wanneer het publiek in katzwijm valt? Het antwoord luidt volmondig ja. Zeker wanneer men het voorrecht heeft gehad om de Tweede Symfonie, Auferstehung, van Gustav Mahler (1860-1911) al meerdere malen live te beleven en een uitvoering dus kan toetsen aan eerdere ervaringen. Publieksontroering is geen garantie voor interpretatieve juistheid – zeker niet bij een componist voor wie het existentiële gewicht van elke noot essentieel is. Juist bij Mahler gaat ontroering pas echt tellen wanneer zij voortkomt uit een innerlijke, muzikale logica en niet louter uit overweldigende klank.

Dat het publiek na de slotmaten laaiend enthousiast en zichtbaar ontroerd reageerde, was nochtans allesbehalve verrassend. Wie kan onberoerd blijven na deze monumentale symfonie? Mahler componeerde zijn Tweede tussen 1888 en 1894, in een periode waarin hij vooral als dirigent actief was. Voor hem was componeren geen vrijblijvend nevenwerk, maar een obsessieve zoektocht. Zijn ambitie was niets minder dan “een symfonie als de wereld”, een werk dat leven, dood, herinnering, ironie en hoop in één allesomvattend muzikaal traject samenbracht. De Auferstehung is zijn eerste symfonie met koor en solisten, en vooral dan een werk waarin orkest, stem en stilte fungeren als dragers van een innerlijke ervaring. Het is muziek die niet alleen gehoord, maar beleefd wil worden – van binnenuit.

Revelatie van muzikaal vakmanschap

Het Nederlands Philharmonisch Orkest, dat dit jaar zijn veertigjarig bestaan viert, leverde in deze uitvoering een prestatie van uitzonderlijk hoog niveau. Wat vooral trof, was niet enkel de technische perfectie, maar de voelbare intensiteit waarmee elke muzikale gedachte werd gedragen. De strijkers klonken rijk en homogeen, met een warme diepte in de lage registers en een breed ademende lyriek in de hoge lijnen. Hout- en koperblazers excelleerden in loepzuivere soli die nooit als losse momenten aanvoelden, maar organisch ingebed waren in het geheel. Het slagwerk stond als een huis, krachtig maar gedoseerd, en de harpen zinderden door de zaal als een voortdurend pulserende onderstroom.

Mocht het orkest nog ergens zijn visitekaartje hebben willen afgeven, dan was dit het moment. Ook het koor Laurens Symfonisch, dat ik tot nog toe niet live had gehoord, maakte diepe indruk met zijn discipline, klankbalans en gecontroleerde intensiteit. Hun fluisterzachte inzetten en gelaagde opbouw in de finale getuigen van een uitzonderlijke collectieve muzikaliteit en concentratie. Samen vormden orkest en koor de ware revelatie van de avond en droegen zij de existentiële lading van Mahlers partituur met hoorbare toewijding.

Mahlers diepte gezocht: Viotti’s traagheid en spanning

Het probleem lag dan ook niet bij de uitvoerenden, maar bij de interpretatieve keuzes van dirigent Lorenzo Viotti.

Vanaf het openingsdeel, het monumentale Allegro maestoso gebaseerd op Mahlers eerdere Totenfeier, koos Viotti voor uitgesponnen tempi in de verstilde passages. De dodenmars klonk dreigend en zwaar aangezet, met lage strijkers en koper die de zwaarte van de sterfelijkheid nadrukkelijk onderstreepten. De spanning werd daarbij niet losgelaten, maar uiterst langzaam opgebouwd. Op papier is dat een verdedigbare keuze, maar in de praktijk leidde zij tot een zekere verzadiging van het muzikale discours. De spanning nestelde zich minder diep in de luisterervaring en dreigde eerder te stollen dan zich organisch te transformeren. Dat de dirigent op een bepaald moment zichtbaar corrigerend naar de houtblazers keek en hen gebaarde de harpen beter te volgen, leek mede het gevolg van tempokeuzes die het samenspel voortdurend op de proef stelden, maar die door het orkest met grote concentratie en discipline werden opgevangen.

Het Andante moderato, met zijn wortels in het menuet en zijn terugblik op vervlogen levensmomenten, werd transparant en fragiel uitgewerkt. Hier kwamen Viotti’s aandacht voor detail en klankkleur beter tot zijn recht. De zachtheid en nostalgische glans van dit deel waren onmiskenbaar mooi. Toch bleef ook hier het gevoel hangen dat de reflectie werd uitgerekt tot bijna stilstand. De muziek ademde, maar soms tegen haar natuurlijke beweging in, waardoor melancholie en verstilling het risico liepen te verstarren tot louter esthetiek.

Het scherzo, gebaseerd op het lied Des Antonius von Padua Fischpredigt, bracht weliswaar meer beweging en ironische scherpte. De grillige ritmiek en het circulaire karakter – het leven dat eindeloos doordraait – werden helder neergezet. Houtblazers en percussie articuleerden scherp, de strijkers hielden het fundament in voortdurende beweging. Toch bleef ook hier het gevoel dat alles minutieus was uitgemeten, eerder uitgekiend dan organisch gegroeid.

Het meest kwetsbaar werd Viotti’s aanpak in Urlicht. De inzet was extreem zacht en traag. De openingswoorden O Röschen rot klonken niet overal even stabiel en waren moeilijk verstaanbaar. Daartegenover stond een bijzonder geslaagd gebruik van het Fernorchester, dat dit deel een bijna sacrale diepte gaf en het ruimtelijke karakter van Mahlers visie prachtig ondersteunde.

Viotti bleef tijdens zijn lezing opvallend consequent: stil betekende extreem traag, luid betekende snel. Alleen in de finale werd daarvan afgeweken. Daar werd de grote climax uitzonderlijk traag – zo traag dat de grens tussen spanning en nadruk vervaagde – waardoor het effect wel erg expliciet werd. De finale, waarin thema’s uit eerdere delen cyclisch terugkeren en Mahler via Klopstocks hymne Die Auferstehung voorzichtig naar verlossing tast, werd zo een te zorgvuldig geconstrueerde emotionele boog, waarin de weg naar verlossing eerder werd geregisseerd dan doorleefd.

Dat deze globale aanpak niet bij iedereen onverdeeld enthousiasme opriep, was ook in de zaal merkbaar. Naast mij hoorde ik geregeld zuchten, en iemand begon zelfs ongeduldig met zijn benen te bewegen, blijkbaar in de hoop dat het tempo eindelijk zou worden opgedreven. Dat gebeurde inderdaad, maar uitsluitend in de snelle passages.

Emotie of berekening?

Bij ander repertoire had ik deze benadering misschien nog door de vingers gezien. Maar juist bij Mahler, waar het niet enkel om klank en monumentaliteit gaat, maar om existentiële noodzaak en innerlijke waarheid, overtuigt een zo sterk op effect gerichte lezing mij fundamenteel minder.

Des te opvallender was deze ervaring, omdat ik Lorenzo Viotti eerder met dit orkest hoorde in onder meer Stravinsky, Dvořák en Brahms, waar hij mij wél wist te overtuigen. Voor zijn Mahler zal ik in de toekomst echter passen. Zijn visie op deze componist en zijn zoektocht naar datgene “was die Welt im Innersten zusammenhält” (Goethe, Faust I) lijken mij te zeer gericht op uiterlijke ontlading en te weinig op de tragische, maar diep menselijke innerlijke noodzaak die voor mij het hart van Mahlers universum vormt. Juist omdat het Nederlands Philharmonisch Orkest en Laurens Symfonisch over zulke uitzonderlijke muzikale middelen beschikken, blijft dat een gemiste kans.

Diesen Artikel teilen

Kommentare

Noch keine Kommentare. Sei der Erste, der kommentiert.

Kommentar hinterlassen

Kommentare werden vor der Veröffentlichung geprüft.

DE