Op vrijdag 17 oktober vulde de zaal van Bozar zich met de warme klank van het Belgian National Orchestra, een orkest dat onder leiding van Michael Schønwandt meer is dan een verzameling musici: het werd tot een levende, ademende verteller van de romantische ziel. Het programma bracht twee grote figuren van de romantiek samen: Robert Schumann (1810-1856), met zijn soms donkere, introspectieve poëzie, en Johannes Brahms (1833-1897), die introspectie moeiteloos afwisselt met ritmische vitaliteit. Samen namen ze ons mee op een reis door de emoties en klankwerelden die het hart van de 19de-eeuwse romantiek definiëren.
Duistere poëzie in Es-klein
De opening met Schumanns Manfred Ouverture liet meteen de dramatische diepte van de avond horen. Het werk, een symfonisch gedicht naar Lord Byrons gelijknamige roman, schildert Manfred als een figuur gevangen tussen schuld, eenzaamheid en hartstochtelijk verlangen. In de donkere toonsoort Es-klein kwamen de obsessieve motieven van Manfred overtuigend tot leven: dreigende ritmes, onrustige chromatiek en plotselinge dynamische uitbarstingen. Schønwandt bouwde de dramatische spanning zorgvuldig op, zonder overmatige pathos, waarbij elke frase de psychologische gelaagdheid van Schumanns verhaal weerspiegelde. Het orkest speelde met opmerkelijke precisie: koper en houtblazers wisselden scherp af, terwijl de strijkers ademden als het hart van Manfred zelf.
Virtuositeit en introspectie
Voor Sergey Khachatryan voelt Brussel als een tweede thuis, sinds zijn overwinning op de Koningin Elisabethwedstrijd in 2005. Die vertrouwdheid gaf zijn interpretatie van Brahms’ Vioolconcerto een bijzondere intimiteit: elke noot ademde herkenning; het werd een warme dialoog waarin techniek en emotie naadloos samensmolten. Zo klonk het Allegro non troppo als een organisch samenspel van ritmische precisie en melodische elegantie, waarin de symfonische rijkdom van Brahms volledig tot leven kwam. In de cadens leek de muziek even stil te staan; Khachatryan creëerde een bijna tastbare spanning die door merg en been ging.
Het Adagio ontroerde door zijn ingetogen, haast fluisterende melancholie; Khachatryans frasering was een gesprek met de stilte van de zaal, een vertelling zonder woorden, gedragen door het orkest dat de solist met warmte en balans omringde. Het finale Allegro giocoso was een speelse maar nooit vrijblijvende dialoog, waarin de technische uitdagingen – sprongen, dubbele grepen, snelle arpeggio’s – een natuurlijk onderdeel werden van de expressieve continuïteit.
We kregen vanavond geen alledaagse uitvoering te horen, maar een die ons dwong om écht te luisteren, om even stil te staan in een hectische tijd. Brahms werd van binnenuit tot leven gebracht: introspectief, contemplatief, bijna fluisterend in zijn emotionele diepte. Voor sommige concertgangers ontbrak misschien het traditionele vuur, maar juist die noodzaak om intens te luisteren maakte het voor mij een bijzonder meeslepende ervaring.