Skip to content
Reviews

Magiciens du son: Brussels Philharmonic betovert met Debussy, Boesmans en Wagner

W
· 6 min read
Share this article
Magiciens du son: Brussels Philharmonic betovert met Debussy, Boesmans en Wagner
© Johan Jacobs, Simon Van Rompay en Ole Wuttudal

Sommige concertprogramma’s hebben iets van een goed opgebouwde roman. Ze beginnen in een sfeer van suggestie, laten gaandeweg nieuwe stemmen opduiken en monden uit in een haast onvermijdelijke ontlading. Zo’n dramaturgische lijn kreeg het publiek op zaterdag 14 maart in Studio 4 van Flagey met Magiciens du son, een programma waarin Brussels Philharmonic drie componisten samenbracht die elk op hun manier het orkest opnieuw hebben uitgevonden: Claude Debussy (1862-1918), Philippe Boesmans (1936-2022) en Richard Wagner (1813-1883), componisten die elk op hun manier de grenzen van orkestratie verlegden en nieuwe klankwerelden openlegden – echte “magiciens du son”.

Tegelijk was het concert een hommage aan Philippe Boesmans, de componist die jarenlang een centrale rol speelde in het muziekleven rond De Munt, waar verschillende van zijn opera’s hun première beleefden. Zijn muziek verraadt een zeldzame combinatie van verfijning en dramatisch instinct. Wie zijn partituren kent, weet hoe zorgvuldig hij met klank, kleur en stilte omgaat – alsof elke noot haar eigen plaats in het klanklicht zoekt. Aan het roer stond de jonge, charismatische Christian Blex, die het programma met een duidelijke dramaturgische lijn samenhield. Als gastdirigent bracht hij zijn frisse blik en verfijnde interpretatie naar deze bijzondere hommage. Zijn dirigeerstijl – precies maar nooit schools, met aandacht voor detail zonder het grotere klankbeeld uit het oog te verliezen – bleek bijzonder geschikt voor een avond waarin orkestrale kleur en transparantie centraal stonden.

Een fluistering

De avond opende met een symfonische suite uit Pelléas et Mélisande, samengesteld door dirigent Erich Leinsdorf en later herwerkt door Claudio Abbado uit de opera van Claude Debussy. In deze muziek lijkt alles zich achter een sluier af te spelen. Emoties worden niet uitgesproken, maar voorzichtig aangeraakt. Brussels Philharmonic wist die wereld van nuance en halfschaduw mooi te treffen. Onder Blex’ leiding bleef de klank transparant en soepel, met veel aandacht voor adem en frasering. De strijkers klonken slank en helder, terwijl houtblazers en harp er subtiele kleuren aan toevoegden. Vooral in de houtblazers – met fijnzinnig spel van hobo en klarinet – kreeg de muziek een bijna kamermuziekachtige transparantie. De muziek ontvouwde zich langzaam, bijna aarzelend, alsof ze niet vooruit wilde stormen maar liever bleef hangen in haar eigen sfeer. Debussy behandelt het orkest immers als een palet van timbres, eerder dan als een massief klankblok. Blex liet die kleuren zorgvuldig in elkaar overvloeien, waardoor de partituur kon stralen in haar typische impressionistische glans.

Tussen nacht en dageraad

Het hart van het programma werd gevormd door Fin de nuit voor piano en orkest van Philippe Boesmans, met Julien Libeer als solist. Het werk ontstond in 2017 in een hotelkamer en draagt een bijna introspectieve sfeer in zich. De muziek groeit uit een bijna tastbare stilte, alsof ze aarzelend de eerste contouren van een gedachte verkent. Wat vooral treft, is Boesmans’ gevoel voor klankruimte. Klanklagen verschuiven subtiel over elkaar, harmonieën lossen op in resonantie en stilte krijgt een betekenisvolle plaats in het geheel.

Intrigerend is het feit dat de piano pas in de tweede beweging aan het woord komt. De eerste beweging, Dernier Rêve, blijft volledig orkestrale muziek, terwijl in het tweede deel, Envols, de piano geleidelijk haar rol als gesprekspartner van het orkest opneemt. De titel is in dat opzicht treffend: dit is muziek van het grensgebied tussen nacht en ochtend, van het moment waarop de duisternis nog aanwezig is maar het licht al voorzichtig voelbaar wordt. Eigenlijk verdient dit werk een vaste plaats in het repertoire, omdat het op zeldzame wijze hedendaagse klanktaal combineert met een direct voelbare poëtische expressie.

Libeer bleek een ideale pleitbezorger voor deze fascinerende partituur. Zijn spel combineerde helderheid met een vanzelfsprekende poëzie, waardoor de pianopartij nooit op de voorgrond werd geduwd maar eerder als een gids door het orkestrale landschap fungeerde. Blex koos duidelijk voor een lezing die de fragiele balans tussen piano en orkest respecteerde. Hij liet de muziek ademen, met veel ruimte voor de subtiele verschuivingen in klankkleur die zo typisch zijn voor Boesmans’ stijl. Het orkest reageerde alert op de pianolijnen, waardoor een fijnzinnige dialoog ontstond waarin geen enkele klank te zwaar woog. Subtiele resonanties tussen piano, slagwerk en gedempte strijkers gaven de partituur daarbij een bijna nachtelijke glans.

De grote ontlading

Na die verstilde wereld volgde een heel andere emotionele dimensie met het Vorspiel en Liebestod uit de opera Tristan und Isolde van Richard Wagner. Het beroemde Tristan-akkoord – dat generaties muziektheoretici heeft beziggehouden – hing meteen als een geladen vraag in de ruimte. Wagner laat de harmonie hier voortdurend naar een oplossing zoeken zonder ze meteen prijs te geven, waardoor een bijna tastbare spanning ontstaat. Waar Claude Debussy suggereert en Philippe Boesmans mijmert, laat Wagner de muziek gloeien.

Blex bouwde de spanning indringend op, met een zorgvuldig gedoseerde spanningsboog. Het werd een uitvoering die naar de keel greep: niet uitgesproken traag, maar voortstuwend en doordacht opgebouwd, met een spanningslijn die voortdurend vooruit bleef dringen. Brussels Philharmonic volgde die lijn met een doorleefde, steeds warme, volle strijkersklank en een kopersectie die precies op het juiste moment haar glans liet horen. Wanneer uiteindelijk de extatische ontlading van de Liebestod werd bereikt, leek de muziek haar eigen zwaartekracht te overstijgen. Blex hield de klank ademend, waardoor het slot minder als een climax dan als een soort verlossing klonk, een moment waarop de muziek even boven zichzelf leek uit te stijgen.

Een subtiele rode draad

Wat dit programma zo overtuigend maakte, was de onderliggende samenhang. Wagner duwde in de negentiende eeuw de harmonische grenzen van de romantiek tot het uiterste. Debussy ontdekte vervolgens nieuwe klankwerelden door het orkest als een kleurenpalet te behandelen. En Boesmans – altijd een componist met een scherp historisch bewustzijn – bouwde op die erfenis voort met een eigen, hedendaagse gevoeligheid. Zijn stijl werd wel eens omschreven als een muzikale “mille-feuille”: een gelaagde taal waarin verschillende invloeden en klankwerelden subtiel in elkaar overvloeien.

Onder de geconcentreerde leiding van Christian Blex kreeg die muzikale genealogie een duidelijke lijn. Hij verbond de verschillende stijlen niet door ze gelijk te maken, maar door hun klankwereld met zorg te laten spreken. Dat bleek ook uit het slotapplaus, waarbij de orkestleden hun gastdirigent zichtbaar hulde brachten.

Zo werd dit programma uiteindelijk meer dan een hommage. Brussels Philharmonic bracht een kleine muzikale geschiedenis van de orkestklank: van Wagneriaanse extase over Debussyaanse subtiliteit tot de introspectieve poëzie van Boesmans. Drie componisten, drie tijdperken – maar één gedeelde fascinatie: de magie van het geluid, die in Flagey springlevend bleek.

Share this article

Comments

No comments yet. Be the first to comment.

Leave a comment

Comments are reviewed before they appear.

EN