‘BAchROQU’in BRUGES – a R-EVOLUTION’, whats in a name, zeggen ze dan. Tja, Johann Sebastian Bach, het is wat. Elke dag blijft hij ons verrassen met iets nieuws dat er al was van bij de compositie, maar het is zo overweldigend veel dat we meer details dan we beseffen niet meteen mee hebben, ook niet na het al 25 of 250 keer gehoord te hebben. Zo was het ook tijdens het jongste barokfestival waar Bach centraal staat dat Brugge rijker is geworden. Bart Stouten – wie herinnert zich deze poëtische, voormalige Klarapresentator niet? - presenteerde drie dagen dit kleine festival dat kon rekenen op enkele sterke barokspecialisten.
De openingsavond werd verzorgd door een trio met Ryo Terakado op zijn schitterende barokviool, de celliste Lucia Swarts en klavecinist Siebe Henstra. Ze lieten het publiek in de barokke Kapel Onze-Lieve-Vrouw-van-Blindekens kennis maken met niet alleen dé Johann Sebastian Bach (1685-1750), maar ook met Heinrich Ignaz Franz von Biber (1644-1704), François Couperoin (1668-1733) en Antonio Vivaldi (1678-1741). Biber weerklonk als eerste. Hij moet een enorm virtuoos geweest zijn want zijn werken zijn een aaneenrijging van alle mogelijke en onmogelijke noten denkbaar om ter snelst te spelen. Als je dan meteen daarna Bach hoort, dan weet je wel die de ware meester is. Een wat frivolere Couperin mag wel na Bach en het past perfect om na die lossere Fransman terug naar Bach te keren. Bach, de man die van één viool een heel orkest maakt met de chaconne voor viool solo uit de partita nr. 2 BWV 1004.
Een altijd weer hoopgevende Vivaldi, hier met een sonata voor cello en basso continuo doet best deugd om ‘het-orkest-op-één-instrument’ te laten bezinken. Het concert sloot groots af met een uitvoering uit de duizend van Bachs sonata, BWV 1023 voor viool, violoncello en basso continuo. De ster van de avond was hoe dan ook Bach en de vertolking door vooral Ryo Terakado werd voor eeuwig en drie dagen in het geheugen gegrift van elke luisteraar.
[caption id="attachment_53481" align="alignleft" width="300"]
Barokviolist Ryo Terakado gambiste Kaori Uemura en klavecinist Guy Penson[/caption]
Wereldklasse, ‘wow’...
Dag twee van dit kleine festival trok té weinig publiek. Op een zaterdag om 11 uur een concert plannen lijkt niet het juiste moment van de dag te zijn. Zeer jammer voor de afwezigen want zij misten wat de aanwezigen wél hoorden en beleefden en het nooit meer vergeten kunnen. De afwezigen hadden ongelijk, het is een dooddoener, maar o zo waar.
Dit concert, in het teken van de Rozenkrans en de aanbidding voor Moeder Maria – een pelgrimage in klank zoals Bart Stouten het samenvatte - toverde alle gevoelens naar voor die met de moederfiguur, en zeker een heilige, te maken hebben. Aanbidding zeker, maar ook noblesse, tederheid, vragen stellend, bescheiden en tegelijk verheffend, verheerlijkend en een schijn bedriegende zorgeloosheid met dankbare, lovende en ook nederige alleluja -gevoelens. Opnieuw veroverde Ryo Terakado de harten van het publiek, samen met gambiste Kaori Uemura en Guy Penson aan het klavecimbel. Moet het gezegd en geschreven worden dat deze zaterdagmiddag er een was die je met een zalig – letterlijk en figuurlijk – gevoel huiswaarts deed keren?
[caption id="attachment_53480" align="alignleft" width="225"]
Peter Waldner aan zijn Lautenklavier[/caption]
Bach in première voor ons land op Lautenklavier
Een Lautenklavier is een op een klavecimbel gelijkend instrument dat het verschil maakt in de klankkleur. Dit is warmer, voller en nog wat stiller dan de klank van een klavecimbel. Overleefde het instrument niet omdat het klankbereik te klein is? Wie zal het zeggen. Toch is het terug, dankzij de punctuele beschrijving van dit klavier door Jacob Adlung in zijn Musica mechanica organoedi uit 1768.
Het instrument, waar Bach er twee van had in zijn huis, is zo gedetailleerd beschreven dat het kon nagebouwd worden. De Zuid-Tiroolse klavecinist en organist Peter Waldner liet de luisteraars kennis maken met het instrument en met werken van Bach die in ons land nooit eerder werden opgevoerd. Een dubbele première: het instrument enerzijds en de composities anderzijds die Bach op maat van zijn Lautenklavieren componeerde. Het werd een bijzondere kennismaking met niet alleen het instrument, maar ook met de all-round musicus Peter Waldner en met nooit eerder gehoorde Bach. Weerom knappe muziek van het genie dat Bach ontegensprekelijk was en die blijvend tot het einde der tijdens de mensheid zal bekoren. Eén vraag heb ik niet gesteld en misschien moest dat wel. Daar voor Klassiek Centraal helemaal vooraan persplaatsen waren voorzien, hoorden we de draagkracht van het instrument niet echt. We zaten er als het ware met de neus op. Het goede ervan was dat ons geen noot ontsnapte en de finesses van het instrument zeer articulerend overkwamen dankzij de vlugge vingers van de uitvoerder.