Sommige concerten laat je niet los. Het eerste concert van Symfonieorkest Vlaanderen onder nieuwe chef-dirigent Martijn Dendievel – Martijns Droom – behoorde tot die zeldzame momenten. Hier werd muziek niet alleen uitgevoerd, maar beleefd: als een ademende structuur waarin klank, tijd en herinnering in elkaar grijpen.
Op zondag 25 januari bracht het programma in De Singel drie werken samen die elk een andere kijk op innerlijkheid en tijd boden: de Derde Symfonie, Hommage, van Luc Brewaeys (1959-2015), het Vioolconcert in e van Felix Mendelssohn (1809-1847) en de Eerste Symfonie, Winterdromen, van Peter Tsjaikovski (1840-1893). Op het eerste gezicht zeer verschillende werelden, maar gaandeweg vormden zij een samenhangende, poëtische constellatie. Het was een namiddag waarin luisteren zelf het verbindende element werd, en muziek zich ontvouwde als een ruimte waarin vragen belangrijker waren dan antwoorden.
Echo’s van een andere wereld
Het concert opende met Brewaeys’ Derde Symfonie, Hommage, een werk dat zich niet opdringt, maar zich langzaam en onontkoombaar in het bewustzijn nestelt. Hommage is geen retrospectieve in nostalgische zin, maar een diepgravende meditatie over verleden en aanwezigheid, over hoe muziek herinnering kan dragen zonder haar vast te pinnen. Brewaeys schept een klankwereld waarin tijd geen lineair traject volgt, maar zich gedraagt als een golfbeweging: van echo naar anticipatie, van herinnering naar verwachting.
Dat deze complexe muzikale taal onmiddellijk kon spreken, was voor een groot deel te danken aan Dendievels inzichtelijke inleiding bij het begin van het concert. Door de structuur kort toe te lichten en het orkest enkele fragmenten te laten spelen, gaf hij het publiek herkenningspunten zonder het mysterie van de muziek te ontkrachten. Het was een intelligente, genereuze zet: niet om het werk te reduceren tot begrijpelijkheid, maar om de vaak verlammende angst voor het ‘onbegrijpelijke’ van hedendaagse muziek weg te nemen. Wie weet waar hij luistert, luistert anders.
Voor wie – zoals ondergetekende – dit werk voor het eerst hoorde, bleek die aanpak van onschatbare waarde. De eerste beweging, die zich snel ontvouwde in golvende crescendo’s, maakte duidelijk hoe zorgvuldig Brewaeys zijn muzikale traject uitzet. De attacca-overgang naar de verstilde tweede beweging werkte als een abrupte verandering van ademhaling: van kinetische energie naar een bijna tijdloze verstilling. Hier werd hoorbaar wat Dendievel vooraf benadrukte: de aleatorische passages zijn geen vrijblijvende willekeur, maar functioneren binnen een helder compositorisch plan. Vrijheid en structuur versterkten elkaar.
De orkestratie getuigde van Brewaeys’ meesterlijke gevoel voor klankkleur. Houtblazers fluisterden motieven die als verre herinneringen door de ruimte zweefden. Strijkers weefden een continuüm van klank dat tegelijk transparant en dragend was. Percussie dook op als een onderhuidse hartslag: nauwelijks expliciet, maar voortdurend voelbaar, met een bijzonder indringende rol tegen het einde van het werk. Het Symfonieorkest Vlaanderen speelde dit veeleisende werk met concentratie en precisie. Elke sectie kende haar plaats binnen het geheel; geen enkel detail was gratuit, alles stond in dienst van de grotere ademhaling van het werk.
Bijzonder indringend was het slot van de symfonie, waarop Dendievel het publiek vooraf expliciet had gewezen, zonder te verklappen wat ons te wachten stond. Dat bleek geen overbodige waarschuwing. Tweemaal bouwde de muziek zich op tot een intens crescendo, alsof een vulkaan zijn opgebouwde energie niet langer kon bedwingen. De eruptie was overweldigend, maar wat volgde was nog indrukwekkender: de klank loste zich op, verdampte haast, en liet de luisteraar achter in een ijle ruimte van stilte en onzekerheid. Geen afronding, geen geruststellend slotakkoord, maar een open einde dat vragen stelde in plaats van antwoorden te bieden.
Het moment deed onwillekeurig denken aan Robert Musils beroemde uitspraak: “Was bleibt von der Kunst? – Wir als Veränderte bleiben.” Wat hier bleef hangen, was niet een melodie die zich laat neuriën, maar een ervaring die het luisteren zelf had veranderd. Brewaeys’ Hommage liet zien hoe muziek kan functioneren als denkruimte, als existentiële vraagstelling, als een ontmoeting met tijd en vergankelijkheid.
Dat deze ervaring zo scherp en overtuigend overkwam, was niet alleen de verdienste van de componist, maar ook van een dirigent die het werk door en door begreep en een orkest dat zich met volledige overgave in deze complexe klankwereld stortte. Dendievel toonde niet alleen muzikaal gezag, maar ook intellectuele helderheid en vertrouwen in zijn publiek. Het orkest antwoordde met een glansprestatie die getuigde van discipline, luisterbereidheid en artistieke moed.
Als opening van het concert was Hommage meer dan een programmatorische keuze: het was een statement. Een uitnodiging om te luisteren zonder vooroordelen, om onzekerheid toe te laten, en om muziek te ervaren als een ruimte waarin denken en voelen samenvallen.
Fluisteringen van de ziel
Na de contemplatieve opening met Brewaeys kreeg de namiddag een meer uitgesproken lyrische gedaante met Mendelssohns Vioolconcert in e, een werk dat te vaak wordt herleid tot zijn elegante virtuositeit, maar dat hier onthuld werd als een subtiel psychologisch landschap. Vanaf de eerste inzet van de viool was duidelijk dat Liya Petrova dit concerto niet benaderde als een demonstratie van technische beheersing, maar als een intieme monoloog, gedragen door een uitzonderlijk fijngevoelige muzikale intelligentie.
Petrova’s spel kenmerkte zich door een heldere, ademende frasering, waarin elke noot haar plaats en betekenis kreeg. Haar toon was warm zonder zwaar te worden, transparant zonder aan diepte in te boeten. De vele nuances en accenten – vaak nauwelijks hoorbaar, maar des te voelbaarder – gaven Mendelssohns melodische lijnen een natuurlijke vanzelfsprekendheid, alsof de muziek zichzelf ter plekke vormde. In de langzame passages heerste een zeldzame concentratie: de stilte tussen de noten werd even betekenisvol als de noten zelf, en het publiek luisterde met een gespannen aandacht waarin men inderdaad een speld had kunnen horen vallen.
De cadensen waren geen momenten van virtuoze zelfprofilering, maar innerlijke adempauzes waarin de tijd leek stil te staan. Petrova liet de muziek spreken met een verstilde intensiteit: elke boogbeweging werd een gedachte, elke nuance een emotionele verschuiving. Haar spel maakte de subtiele spanningen tussen majeur en mineur tastbaar, liet licht en schaduw voortdurend in elkaar overlopen en onthulde Mendelssohns partituur als een fragiele balans tussen hoop en weemoed.
Het Symfonieorkest Vlaanderen, onder de bezielde leiding van Dendievel, speelde in dit concerto een rol die veel verder ging dan begeleiding. Het orkest fungeerde als een ademende klankruimte, een mentale resonantie waarin de solopartij zich kon ontvouwen. Strijkers speelden met een zachte, homogene gloed; houtblazers voegden kleur en commentaar toe met loepzuivere, betekenisvolle tussenkomsten; dynamische contouren waren fijn uitgetekend, nooit opdringerig, altijd dienstbaar aan het muzikale verhaal. Dendievel hield de balans meesterlijk in stand, met een opmerkelijk gevoel voor timing, proportie en spanningsopbouw.
Wat deze uitvoering zo bijzonder maakte, was de volstrekte eenheid van intentie tussen solist, dirigent en orkest. Mendelssohns harmonische en ritmische structuren werden niet geëxposeerd omwille van hun architectuur, maar beleefd als dragers van emotie. Het concerto werd zo een meditatie over kwetsbaarheid en verlangen, over het vluchtige karakter van gevoelens en de paradoxale kracht van lyriek.
Deze uitvoering herinnerde eraan dat Mendelssohns muziek – vaak te snel als licht en elegant bestempeld – een diepe emotionele precisie bezit, die alleen tot haar recht komt wanneer ze met aandacht, rust en innerlijke overtuiging wordt benaderd. In Liya Petrova vond dit concerto een vertolkster die luisterde terwijl ze speelde, en in Martijn Dendievel en het Symfonieorkest Vlaanderen partners die deze poëzie niet omlijstten, maar mee ademden. Deze ijzersterke uitvoering doet verwachtingsvol uitkijken naar de volgende werken van Mendelssohn die in de komende seizoenen aan bod zullen komen bij Symfonieorkest Vlaanderen.
Tastend door de winterstorm
Met Tsjaikovski’s Eerste Symfonie, Winterdromen bereikte de namiddag zijn emotionele kern. Dit vroege werk, vaak gezien als een compositorische vingeroefening, openbaarde zich hier als een aangrijpend document van innerlijke noodzaak. Vanaf de eerste maten werd de luisteraar meegezogen in een wereld waarin vorm en gevoel elkaar aftasten, soms botsen, maar nooit loslaten. De opening, met haar schijnbaar eenvoudige thematiek, klonk niet naïef, maar kwetsbaar: alsof Tsjaikovski zijn innerlijke landschap voorzichtig ontvouwde, bewust van de fragiliteit van wat hij prijsgeeft.
Onder Dendievels leiding ontvouwde de symfonie zich met uitzonderlijke dramaturgische helderheid. De spanningsboog werd vanaf het begin strak gespannen en pas losgelaten bij het uitdoven van de laatste noot. Er was geen moment van verslapping, geen vrijblijvendheid; elke frase vloeide onontkoombaar voort uit de vorige. Dendievel was hier niet alleen een architect van vorm, maar vooral een gids door Tsjaikovski’s innerlijke stormen.
Het Symfonieorkest Vlaanderen speelde met intensiteit en precisie die indrukwekkend waren. Strijkers vormden het kloppende hart van de uitvoering: breed ademend en warm van klank, maar messcherp wanneer de muziek zich verharde. Hun frasering gaf de melancholische kern van het werk een tastbare lichamelijkheid. De houtblazers – met meerdere loepzuivere, betekenisvolle soli – fungeerden als dragers van introspectie: flarden van hoop, mijmering en weemoed weefden als ijle adem door het orkest. De kopersectie was krachtig, maar nooit bombastisch, en gaf de dramatische uitbarstingen hun onvermijdelijke zwaarte. Het slagwerk versterkte de emotionele accenten met fijnzinnige beheersing, zonder ooit de muzikale stroom te breken.
Wat deze uitvoering uitzonderlijk maakte, was de manier waarop elke orkestsectie haar rol begreep binnen het grotere geheel. Niets stond op zichzelf; alles was onderdeel van een ademend organisme. De verschillende soli – telkens kristalhelder, precies en zonder effectbejag – fungeerden niet als individuele profilering, maar als noodzakelijke schakels in Tsjaikovski’s verhaal. Het was die collectieve concentratie die de luisteraar volledig liet opgaan in de muziek.
Tsjaikovski’s poging om zijn innerlijke wereld te ordenen binnen klassieke symfonische structuren werd hier hoorbaar in al zijn spanning en schoonheid. De emotionele logica – soms ronduit duister, vooruitwijzend naar de existentiële diepte van zijn latere symfonieën – kreeg voorrang op formele strengheid, zonder ooit te ontsporen. Dendievel liet die spanning bestaan, durfde haar te laten schuren, en juist daarin schuilde de kracht van deze uitvoering.
Winterdromen klonk hier niet als een onvolwassen werk, maar als een levend organisme dat zichzelf ontdekte terwijl het klonk. Het is muziek van overgang, van zoeken en verlangen, van dromen die zowel troostend als verontrustend zijn. De luisteraar werd meegesleurd in die zoektocht en pas losgelaten toen de laatste klank uitdoofde.
Dit was een uitvoering die niet alleen overtuigde door technische perfectie, maar door artistieke overgave en collectief bewustzijn. Een symfonie die begon als een winterse droom en eindigde als een intense, doorleefde ervaring – een slot dat het concert niet afrondde, maar verzegelde.
Waar klank betekenis krijgt
Wat dit concert uiteindelijk zijn bijzondere gewicht gaf, was niet alleen de kwaliteit van de afzonderlijke uitvoeringen, maar vooral de manier waarop de drie werken met elkaar in gesprek gingen. Niet als losse programmering, maar als een zich langzaam ontvouwend gesprek. Brewaeys richtte het oor naar herinnering en tijd, Mendelssohn bracht de luisteraar naar een kwetsbare innerlijke ruimte, Tsjaikovski liet het zoeken zelf klinken – onzeker, tastend, maar onmiskenbaar menselijk. Samen vormden zij geen sluitend verhaal, maar een poëtische constellatie waarin verleden, emotie en verwachting elkaar wederzijds verlichtten.
In die samenhang speelde Martijn Dendievel een cruciale rol. Hij fungeerde niet louter als coördinator van tempi en inzetten, maar als gids doorheen verschillende muzikale denkwijzen. Zijn interpretaties zochten nooit het effect, maar de betekenis; nooit de buitenkant, maar de innerlijke noodzaak van de muziek. Wat hij blootlegde, was een onderliggende logica die de werken met elkaar verbond zonder hun eigenheid te ontkennen. Dirigeren werd hier luisteren – aandachtig, reflectief, met vertrouwen in de kracht van de muziek én in het vermogen van het publiek om die te ontvangen.
Het Symfonieorkest Vlaanderen antwoordde met een opmerkelijke intensiteit en betrokkenheid. Hier hoorde je geen orkest dat speelt onder een dirigent, maar een orkest dat met hem meedenkt en meeademt. De precisie, de concentratie en de collectieve alertheid brachten een spanning teweeg die de luisteraar letterlijk op het puntje van de stoel hield. Het voltrok zich iets zeldzaams: een samenwerking die voelbaar groeide, die niet alleen technisch verfijnd was, maar ook artistiek durfde te verdiepen.
Toen de laatste klanken waren weggestorven, bleef er geen leegte achter, maar een moment van reflectie waarin muziek zich omzet in ervaring. Het applaus erkende niet alleen virtuositeit of inzet, maar bevestigde dat hier iets gedeeld was: een levend gesprek tussen componist, uitvoerders en publiek. Martijns Droom voelde daardoor minder als een afgerond concert dan als een begin, een eerste ademtocht van een artistiek traject dat nieuwsgierig maakt naar wat volgt.
Dat deze samenwerking verwachtingen wekt, is geen toeval. Wat hier hoorbaar werd, was een droom die vorm krijgt – niet als persoonlijke ambitie, maar als collectieve verbeelding. Voor het publiek betekent dat evenzeer een belofte: concerten die niet geruststellen, maar wakker maken; die niet alleen klinken, maar blijven nazinderen. De volgende data staan alvast met stip genoteerd. Want als dit het begin is, dan belooft de weg vooruit rijk, intens en betekenisvol te worden.