Er zijn concerten die zich niet opdringen, maar zich langzaam ontvouwen als een innerlijk landschap. “Mondnacht”, het programma van Martina Gedeck – bij ons bekend als actrice onder meer uit Das Leben der Anderen – en Xavier de Maistre, een wereldbefaamd harpist, behoorde tot die zeldzame categorie: een literair-muzikale avond voor de fijnproever, waarin woord en klank samenvloeiden in een zorgvuldig uitgebalanceerde dramaturgie. Ondanks de omvang van de quasi-uitverkochte zaal wist de regie een opmerkelijke intimiteit te creëren – een geconcentreerde luisterruimte waarin elk detail betekenis kreeg.
Die focus begon reeds in de scenografie: een sobere opstelling met tafel, stoel en harp, gecombineerd met een uitgepuurde belichting die via subtiele kleurwisselingen – van koel wit tot warm rood, van diep blauw tot een suggestieve maan – de emotionele contouren van het programma onderstreepte. Een pluim voor de technici. Ook de verschijning van beide uitvoerders, in ingetogen zwart, droeg bij tot die concentratie: alle aandacht ging naar het gesproken woord en de muzikale lijn, die in de heldere akoestiek van de zaal optimaal tot hun recht kwamen.
De dramaturgische opbouw van het programma getuigde van grote coherentie. De opening met de Erste Elegie uit de Duineser Elegien van Rainer Maria Rilke (1875–1926) werd door Gedeck ingehouden en zonder nadrukkelijk drama gebracht, alsof de tekst zich ter plekke vormde. Die benadering vond een natuurlijke tegenhanger in Arabesque nr. 1 van Claude Debussy (1862–1918), in een harptranscriptie van De Maistre, waarin de muziek zich ontvouwde in vloeiende, bijna gewichtloze fraseringen. Meteen werd duidelijk dat deze avond niet draaide om illustratie, maar om resonantie: woord en klank als parallelle sporen binnen éénzelfde gevoelsruimte.
Met Phantasie van Else Lasker-Schüler (1869–1945) en het verhalende Die Nachtigall und die Rose van Oscar Wilde (1854–1900) kreeg het programma een meer uitgesproken narratieve dimensie. Gedeck gaf deze teksten een warme, doorleefde intensiteit, zonder ooit in nadrukkelijke theatrale profilering te vervallen. De Maistre sloot hierbij aan met Le Rossignol van Franz Liszt (1811–1886), in de verfijnde versie van Henriette Renié (1875–1956), waarin de harp een haast vocale expressiviteit ontwikkelde.
Het centrale deel, met een selectie uit het Buch der Lieder van Heinrich Heine (1797–1856) – waaronder Ich hab’ im Traum geweinet en Allnächtlich im Traume seh’ ich dich – bracht een verstilling die haast tastbaar werd. Gedeck reduceerde haar voordracht tot een fragiele, introspectieve lijn, terwijl De Maistre met Recuerdos de la Alhambra van Francisco Tárrega (1852–1909), in een eigen transcriptie, een hypnotische tijdloosheid opriep via fijnzinnige tremolo’s.
Na de pauze werd de spanningsboog enigszins verstoord door aanhoudend gehoest in de zaal, waardoor de luisterconcentratie minder vanzelfsprekend werd. Jammer, want in het eerste deel kon men bij wijze van spreken een speld horen vallen. Toch slaagden de uitvoerders erin de draad opnieuw op te nemen. Met Licht und Schatten van Albert Camus (1913–1960) verschoof het perspectief naar een meer existentiële reflectie, terwijl Granada uit de Suite española van Isaac Albéniz (1860–1909) een warm, rijk geschakeerd klankpalet liet horen, waarin de harp een bijna tastbare zinnelijkheid ontwikkelde.
Mondnacht van Joseph von Eichendorff (1788–1857) bracht verstilling en synthese en vormde zo het poëtische zwaartepunt van de avond, door Gedeck sober en zonder pathos gebracht. In Clair de Lune van Claude Debussy (1862–1918) bereikte De Maistre een indrukwekkende intensiteit: de klank was breed, maar bleef tegelijk transparant en ademend.
In de afsluitende combinatie van Die Elfen van Charles-Marie Leconte de Lisle (1818–1894) – dat deed denken aan Goethes Erlkönig – en Légende sur les Elfes van Henriette Renié (1875–1956) kreeg het programma een meer mythische dimensie. De Maistre begeleidde de tekst eerst subtiel met thematische flarden, om vervolgens – als een natuurlijke apotheose – uit te monden in een indrukwekkende vertolking van het eigenlijke stuk van Renié. Het was een genoegen om zijn handen over de snaren te zien bewegen en zo’n rijk palet aan kleuren en stemmingen te horen ontstaan.
Wat deze avond bijzonder maakte, was niet enkel het hoge uitvoeringsniveau, maar vooral de coherentie van het geheel. Tekst en muziek vulden elkaar wonderwel aan. Gedeck en De Maistre creëerden geen losse momenten, maar een doorlopende spanningsboog waarin elk detail – van licht tot stilte, van woord tot klank – functioneel werd ingezet.
“Mondnacht” werd zo een avond waarin de grens tussen luisteren en beleven vervaagde – een verfijnde dialoog van woord en harp, die zich discreet maar intens in de verbeelding nestelde.