Naar de inhoud
← Alle cd-releases

Hungarian Melody & Six Moments Musicaux

Jean-Nicolas Diatkine

Formaat
Digitaal
Als een eenzame zwerver die soms onbekende paden ontdekt, verdwaalde Schubert vaak in uitweidingen die ver van zijn uitgangspunt afdwaalden, maar dit belette hem niet een hoge mate van formele strengheid te handhaven. Hoewel de structuur van het gedicht dat erin wordt geplaatst als kader dient voor het componeren van een lied, is het juist door de stoutmoedigheid van zijn modulaties dat hij vaak een ruimte vindt die zijn expressie bijzonder indrukwekkend maakt in zijn precisie. Uiteraard vinden we dezelfde dramatische samentrekking terug in zijn korte pianocomposities. Alles rust op elke noot. De vier Impromptu's, op. 90, zijn zo expressief dat ze op zichzelf staan ​​en geen uitleg behoeven, met mogelijke uitzondering van de eerste. Mijn eerste benadering van de eerste Impromptu in c mineur werd aanvankelijk beïnvloed door de figuur van het lied "Der Wanderer", de dakloze reiziger die zich voortdurend afvraagt: Waar moet ik heen? ("Waar, altijd waarheen?"). De pianissimo-opening roept een energie op die dreigt uit te doven, maar geleidelijk weer oplaait. Aan het einde van het stuk suggereerde de drievoudige piano me dat uiteindelijk de melancholie zou zegevieren. Alles veranderde toen ik me realiseerde dat Schubert de uitvoerder geen enkele vertraging toestond tot aan het slotakkoord. Het lange diminuendo op de laatste pagina doet denken aan een mars die in de verte drijft, zonder echter zijn ritme te verliezen. Mijn begrip van het stuk werd volledig op zijn kop gezet. Een ander scenario diende zich aan, dat van een lied zonder woorden, dat dezelfde sfeer van tragisch heldendom opriep als Heines "Die Täuter Grenadiers": een denkbeeldige ontmoeting met een kleine legereenheid die we horen naderen. Tussen de leden van de groep zingt een dichter een mars, afgewisseld met het refrein van de rest van de groep. Zonder overgang ontsnapt de melodie aan de smerige realiteit van de oorlog, met een zeer karakteristieke Schubertiaanse vrolijkheid. Dan valt er een plotselinge stilte, voordat er een episode volgt waarin het geweld van de strijd en de angst voor de dood weer opduiken. De terugkeer van de openingsmars, ditmaal in majeur, vertolkt de tragische vreugde over de zelfopoffering van deze mannen. "Met de vrolijke trompet Moge mijn keizer dan over mijn beenderen lopen: Drums, laat je horen! Gewapend sta ik op en verlaat de aarde, Ik moet mijn keizer verdedigen! Heine, De twee grenadiers Het gezang verdwijnt in de verte en alleen het trompetgeschal blijft hoorbaar. Dit wordt nog vier keer herhaald, waarna de verteller het stuk alleen en met een zwaar hart beëindigt.

Andere releases

NL