Zum Inhalt springen
Rezensionen

Mozart met vuur, finesse en diepe betrokkenheid

W
· 7 Min. Lesezeit
Diesen Artikel teilen
Mozart met vuur, finesse en diepe betrokkenheid
© Marco Borggreve, Werner De Smet

Wolfgang Amadeus Mozart (1756–1791) behoort tot het repertoire dat zich graag laat consumeren en even makkelijk laat onderschatten. Juist daarom vereist zijn muziek uitvoerders die bereid zijn het comfort opzij te zetten en de diepere lagen van de partituur te onderzoeken. Op zondagochtend 18 januari in het Concertgebouw Amsterdam werd Mozart door het Stuttgarter Kammerorchester (SKO), dirigent Thomas Zehetmair en pianist Pierre-Laurent Aimard niet benaderd als een vanzelfsprekende klassieker, maar als een componist die blijvende vragen oproept over vorm, expressie en innerlijke spanning, en die tegelijk muzikaal vuur en spelplezier etaleert.

Intensiteit en dialoog

Aimard is geen pianist die zich profileert via charme of elegantie alleen. Zijn reputatie berust op intellectuele scherpte, analytisch inzicht en een diepgravend engagement met de muziek van de twintigste en eenentwintigste eeuw. Dat hij zich met evenveel ernst over Mozart buigt, maakt hem tot een uitzonderlijk intrigerende gesprekspartner voor dit repertoire. Hij speelt Mozart niet als een rustpunt in zijn carrière, maar als een wezenlijk fundament, met aandacht voor elk detail van de partituur, en met een energie die de muziek jong, vitaal en verrassend fris doet klinken.

Het Pianoconcerto nr. 24 in c-klein, KV 491 behoort tot Mozarts meest radicale werken en vormt een breuk met het conventionele concerto-idioom van zijn tijd. Het is een van zijn weinige pianoconcerten in mineur en bovendien uitzonderlijk rijk geïnstrumenteerd, met prominente houtblazers en een symfonische densiteit die vooruitwijst naar Beethoven. De dramatiek zit hier niet in theatrale gebaren of overdreven expressie, maar in een subtiel spanningsveld tussen orde en ontregeling. Mozart laat tegenstellingen bestaan zonder ze definitief te verzoenen, en Aimard bracht die onderhuidse duisternis overtuigend naar voren, zonder ooit zwaar of melodramatisch te worden.

Dit begreep hij van bij de eerste inzet. Zijn spel was helder, bijna ascetisch, met een aanslag die iedere noot gewicht gaf door precisie, niet door emotionele overdrijving. Virtuositeit bleef onderhuids; wat hoorbaar werd, was controle, scherp inzicht en zorgvuldig gekozen terughoudendheid. Het eerste deel ontvouwde zich als een scherp afgelijnde dialoog tussen piano en orkest, waarin de solist geen protagonist was, maar een deelnemer aan een groter discursief proces vol subtiele interacties. Tussen Aimard en Zehetmair ontwikkelde zich een voortdurende, bijna ademende uitwisseling, waarbij elke aanwijzing onmiddellijk werd opgepikt, wat de uitvoering een vloeiende spontaniteit en bijna improvisatorische levendigheid gaf.

Het langzame deel, vaak beschouwd als het emotionele zwaartepunt van het concerto, werd het morele en spirituele centrum van deze uitvoering. Mozart schrijft hier geen troostrijke melodie, maar een sobere, bijna kwetsbare zanglijn, omgeven door een orkest dat eerder vragen stelt dan antwoorden biedt. Aimard weerstond elke neiging tot verfraaiing; zijn frasering bleef spaarzaam, betekenisvol en fijnzinnig, zijn timing onberispelijk precies. Mozart klonk hier niet als verzoener, maar als een scherpzinnig waarnemer van innerlijke spanning en morele ambiguïteit. Het slotdeel behield zijn nerveuze energie zonder theatrale accenten; Aimard liet de muziek spreken in haar rusteloze drang vooruit, en niet in oppervlakkige virtuositeit.

Het SKO speelde met uitzonderlijk transparante klank; je zag iedere musicus genieten van het samenspel, hun blikken en kleine knikjes maakten duidelijk hoezeer ze opgingen in de muziek, wat de levendigheid van de uitvoering nog versterkte. De samenwerking met Zehetmair was essentieel: hij begeleidde ‘einfühlsam’, met een fijnzinnigheid en precisie die de interactie met Aimard continu voedde. Bij iedere beweging vonden SKO, dirigent en solist elkaar en sloten naadloos op elkaar aan. Het resultaat was een liefdevolle maar nooit zeemzoeterige uitvoering, die een intense en weldadige muzikale ervaring bood.

Zwier en vuur

Daarna volgde Mozarts Symfonie nr. 36 in C, “Linz”, KV 425, een werk dat vaak wordt gereduceerd tot een opgewekte gelegenheidssymfonie, geschreven in haast tijdens een verblijf in Linz in 1783. Die context doet echter geen recht aan de ambitie en finesse van dit werk. Mozart componeerde de symfonie misschien wel in enkele dagen, maar ze getuigt van een scherp gevoel voor proportie, dramatische opbouw en orkestrale balans en toont een componist die bewust speelt met verwachting, contrast en subtiele spanningsbogen.

In de uitvoering van Zehetmair werd het Adagio geen vrijblijvende inleiding, maar een zorgvuldig opgebouwde spanningsruimte: breed ademend, nobel van karakter en met een onderhuidse spanning die de luisteraar meteen bij de les bracht. De overgang naar het Allegro spiritoso werd organisch voorbereid, waarna dit deel zich ontvouwde met een sprankelende lichtheid en een verfijnde articulatie die elke stem hoorbaar maakte. Accenten waren scherp maar nooit hard, de ritmiek helder zonder mechanisch te worden. Het samenspel had iets vanzelfsprekends; de muziek stroomde met een natuurlijke elegantie die tegelijk energiek en verfijnd klonk – een ware streling voor het oor.

Het Andante klonk vol concentratie, ingetogen en volledig ontdaan van sentimentaliteit. Zehetmair koos voor een transparante klank waarin elke frase zorgvuldig werd gevormd en waarin de dynamische schakeringen met grote finesse werden uitgewerkt. De expressieve rijkdom groeide hier niet uit verzachting, maar uit spanning en helder gearticuleerde harmonie. De houtblazers leverden prachtig uitgebalanceerde soli, en eigenlijk moet gezegd dat elke orkestsectie hoorbaar bijdroeg aan de verfijnde totaalstructuur.

In het Menuetto kreeg de muziek een lichtvoetige elegantie en een duidelijk dansant karakter, ver weg van elke zwaarte. De frasering bleef soepel en veerkrachtig, met een natuurlijke puls die de aristocratische charme van dit deel volledig tot haar recht liet komen. In het Trio zorgden vooral de houtblazers voor een warme, bijna speelse kleur, opnieuw gekenmerkt door voorbeeldige balans en transparantie.

Het finale Presto vormde een uitbundige afsluiting vol energie en scherpte. Zehetmair koos voor vaart zonder haast, waardoor de motoriek strak bleef en elke stem haar eigen profiel behield. Het SKO speelde met een slanke, flexibele klank die de contrapuntische helderheid van de partituur blootlegde en de symfonie haar sprankelende vitaliteit teruggaf. Alles klonk precies en verfijnd, maar tegelijk met hoorbaar vuur en aanstekelijk spelplezier.

Mozart als levend materiaal

Wat dit concert onderscheidde, was de standvastige weigering om Mozart te reduceren tot een stijl, traditie of makkelijk verteerbaar erfgoed. Aimard en zijn partners behandelden deze muziek niet als cultureel monument, maar als levend materiaal dat vragen stelt, weerstand biedt en actieve betrokkenheid eist. Zowel in het pianoconcerto als in de symfonie werd Mozart niet gepresenteerd als afgerond verleden, maar als een componist wiens muziek blijft ademen, twijfelen en vooruitdenken. Het resultaat was niet alleen mooi, maar bovenal helder, eerlijk en uitdagend, ontdaan van decoratie en daardoor des te overtuigender.

Dit was geen uitvoering die het publiek geruststelde, maar een die het uitnodigde om opnieuw te luisteren, aandachtiger en met een open geest. In het pianoconcerto gebeurde dat via de intense dialoog, de morele ernst en de onderhuidse spanning; in de symfonie via de ongehoorde finesse, de transparantie en de hoorbaarheid van elk detail, waardoor zelfs de meest vertrouwde passages opnieuw fris en betekenisvol klonken. Het betrof een doorleefde interpretatie die de zondag niet opvrolijkte door oppervlakkige opgewektheid, maar door muzikale intelligentie en gedeeld spelplezier.

Zehetmair, met zijn diepgewortelde liefde voor Mozart en zijn opleiding in Salzburg, wist deze passie als geen ander over te brengen op orkest en publiek. Zijn dirigeren combineerde ‘joie de vivre’ met structureel inzicht en een zeldzame aandacht voor klankverfijning. En Aimard, ondanks zijn bekendheid met eigentijdse componisten als Messiaen, Boulez en Ligeti, speelde Mozart met een opvallende jeugdige frisheid en toewijding, waarbij analytische helderheid en intense muzikaliteit elkaar voortdurend versterkten. Samen maakten zij hoorbaar hoe Mozart, mits ernstig genomen, niet alleen blijft spreken, maar ook blijft uitdagen en ontroeren.

Diesen Artikel teilen

Kommentare

Noch keine Kommentare. Sei der Erste, der kommentiert.

Kommentar hinterlassen

Kommentare werden vor der Veröffentlichung geprüft.

DE