Skip to content
Reviews

Ironie en noodlot – Filarmonica della Scala in De Singel

W
· 5 min read
Share this article
Ironie en noodlot – Filarmonica della Scala in De Singel
© Sasha Gusov, Gert Mothes

Wanneer de Filarmonica della Scala op tournee gaat, reist niet zomaar een orkest mee, maar een traditie van Italiaanse orkestcultuur die teruggaat tot het hart van het operahuis Teatro alla Scala in Milaan. Onder leiding van chef-dirigent Riccardo Chailly bracht het orkest op vrijdag 20 maart in De Singel een programma waarin twee uitersten van het Russische repertoire samenkwamen: bijtende moderniteit en romantisch noodlotsdrama. Centraal stond de monumentale Symfonie nr. 4 in f klein, op. 36 van Tsjaikovski (1840-1893), voorafgegaan door het intrigerende Pianoconcert nr. 3 in C majeur, op. 26 van Prokofjev (1891-1953), met de magistrale Alexandre Kantorow als solist.

Virtuositeit met een glimlach

Het Derde pianoconcert van Prokofjev blijft een van die onweerstaanbare werken uit het twintigste-eeuwse pianorepertoire: briljant, grillig en doordrenkt van ironie. De jonge Franse pianist Alexandre Kantorow – sinds zijn overwinning op de Internationale Tsjaikovskiwedstrijd in 2019 een vaste waarde op de internationale podia – stortte zich met aanstekelijke energie en onmiskenbare flair op dit werk vol motorische drive en speels venijn. Met technische souplesse en scherpe articulatie gaf hij de partituur een glasheldere zeggingskracht. Het is muziek die tegelijk knipoogt en bijt – een spanningsveld dat Kantorow trefzeker wist te vatten.

Vanaf de eerste inzet viel zijn kristalheldere spel op. Kantorow bezit een zeldzame controle over klankkleur: snelle passages bleven helder en doorzichtig, zelfs wanneer de muziek zich in een bijna mechanische stroom voortbewoog. Geen noot ging verloren in de virtuoze stormloop, en de zaal reageerde telkens met ingehouden adem. Verbluffend was de stilte na het slotakkoord van de tweede beweging. Tegelijk vermeed hij de valkuil van louter virtuositeit. In de meer lyrische passages liet hij de melodielijnen ademen, met een natuurlijke frasering die de muziek een bijna improvisatorisch karakter gaf.

Chailly bleek een ideale partner. Hij hield het orkestspel transparant en alert, met houtblazers die de satirische accenten van Prokofjev scherp neerzetten. De strijkers vormden een fluwelen bedding waarboven Kantorow zijn virtuoze lijnen liet schitteren. Het samenspel had een vanzelfsprekende energie: speels, maar nooit vrijblijvend. Zo ontstond een uitvoering die niet alleen sprankelde van virtuositeit, maar ook muzikaal overtuigde.

Als bisnummer volgde een indringende Liebestod uit Tristan und Isolde van Richard Wagner (1813-1883), in de transcriptie van Franz Liszt (1811-1886). Hier liet Kantorow zijn lyrische kant nog nadrukkelijker spreken en bracht hij de zaal in verstilde concentratie. Het groeide uit tot een van de meest beklijvende momenten van de avond.

Het noodlot als symfonisch motief

Na de pauze verschoof het perspectief radicaal. Met Tsjaikovski’s Vierde symfonie betreedt men een universum waarin persoonlijke crisis en symfonische vorm elkaar doorkruisen. De componist zelf omschreef het openingsmotief – de beroemde koperfanfare – als het symbool van het noodlot dat het menselijke geluk voortdurend verstoort. Dit motief hing als een donkere schaduw over de hele symfonie en bepaalde vanaf de eerste noot de spanning.

Chailly koos niet voor romantische sentimentaliteit, maar voor een dramatische, bijna architecturale lezing waarin lyriek en structuur zorgvuldig met elkaar in balans werden gebracht. De operatraditie van het orkest klonk door in de brede frasering en de warme strijkersklank, terwijl de homogeniteit binnen de verschillende orkestgroepen sterk tot uiting kwam.

Toch bleef dat evenwicht in de praktijk niet overal intact. Vooral de kopersectie liet zich geregeld te nadrukkelijk gelden. In het bijzonder kwamen de trompetten in het eerste deel vaak prominent naar voren. Hun scherpe en krachtig geprojecteerde spel drong zich op de voorgrond, waardoor fijnere texturen minder tot hun recht kwamen. Dat ging ten koste van de transparantie en maakte het luisteren bij momenten enigszins vermoeiend. Die indruk werd ook na het concert gedeeld, al leek ze afhankelijk van de plaats in de zaal.

Ook in het slotdeel, waar de symfonie uitmondt in een ogenschijnlijk triomfantelijke eruptie, trad dit probleem opnieuw op. Wat als overweldigend bedoeld was, kreeg daardoor eerder een overrompelend dan echt overtuigend karakter. Des te opvallender was dat in de middendelen de balans wél werd gevonden en het orkest zijn klankpalet ten volle kon ontplooien.

Het Andantino bood een moment van verstilling en introspectie. Hier toonde het orkest zijn vermogen tot subtiele kleurnuances. De altviolen en cello’s gaven het geheel een warme, melancholische gloed, terwijl de houtblazers de melodische lijnen met kamermuzikale verfijning vormgaven. Chailly hield het tempo licht vloeiend, waardoor de muziek een natuurlijke ademhaling kreeg. Het resultaat was een lyrische interpretatie die nergens sentimenteel werd.

Het derde deel – het beroemde pizzicato-scherzo – blijft een van Tsjaikovski’s meest inventieve orkestrale vondsten. De strijkers spelen hier uitsluitend pizzicato, terwijl houtblazers en koper hun eigen speelse commentaar leveren. De uitvoering was ronduit indrukwekkend. De pizzicato’s klonken licht en precies (met een bijzondere vermelding voor de contrabassen), terwijl het geheel een bijna speels karakter behield. Tegelijk zorgden de houtblazers voor een kleurrijk contrapunt dat het scherzo extra levendigheid gaf. Een ogenschijnlijk licht tussenspel dat in werkelijkheid getuigde van grote orkestrale discipline.

Slotakkoord

In Prokofjev vond de Filarmonica della Scala, samen met een bijzonder geïnspireerde Alexandre Kantorow, een ideale balans tussen scherpte, speelsheid en virtuositeit. In Tsjaikovski koos Riccardo Chailly voor een lezing met duidelijke structurele lijnen en dramatische intensiteit, maar waarin het klankevenwicht niet altijd overtuigde. Dat neemt echter niet weg dat het orkest in de meer ingetogen passages een indrukwekkende rijkdom aan kleur en expressie liet horen.

Zo blijft deze avond vooral hangen als een inhoudelijk boeiende confrontatie tussen ironie en noodlot, al werd die in Tsjaikovski’s symfonie niet overal volledig in balans gebracht.

Share this article

Comments

No comments yet. Be the first to comment.

Leave a comment

Comments are reviewed before they appear.

EN