Skip to content
Announcements

Symfonieorkest Vlaanderen kiest voor goesting zonder effectbejag

W
· 3 min read
Share this article
Symfonieorkest Vlaanderen kiest voor goesting zonder effectbejag
© SOV

Met een titel als Een seizoen vol goesting dreigt al snel het soort cultuurmarketing dat gezellig wil klinken zonder veel te zeggen. Bij Symfonieorkest Vlaanderen blijkt die slogan echter opvallend goed samen te vallen met de artistieke realiteit. Het seizoen 2026-2027 oogt niet als een verzameling losse concerten, maar als een doordachte muzikale lijn waarin intensiteit, lyriek en samenhang centraal staan.

Sinds Martijn Dendievel chef-dirigent werd, ontwikkelt het orkest steeds scherper een eigen profiel: niet via modieuze concepten of abrupte koerswijzigingen, maar via repertoirekeuzes die consequent aanvoelen en langzaam uitgroeien tot een duidelijke artistieke identiteit. De voortzetting van de Mendelssohn-cyclus en de expliciete stap richting Schumann zijn daarin geen detail, maar een esthetische keuze: romantiek als levende taal, niet als erfgoed. Emotie wordt hier niet uitvergroot, maar gedoseerd ingezet, waardoor de muziek aan zeggingskracht wint zonder effectbejag.

Die lijn wordt meteen voelbaar in de opening rond Tsjaikovski’s Vijfde Symfonie, ingebed in een breder dramaturgisch kader rond bewondering, inspiratie en artistieke verwantschap. Beethoven en Tsjaikovski worden daarbij met elkaar in dialoog geplaatst, terwijl pianiste Elizabeth Brauss niet louter als solist maar als inhoudelijke stem wordt ingezet.

Opvallend is hoe het seizoen bekend repertoire consequent herkadert zonder het geforceerd te actualiseren. Dvořáks Achtste Symfonie krijgt naast Vaughan Williams en Mozart een nieuwe lichtinval als reflectie over herinnering en nostalgie, terwijl de buitenlandse passages langs Londen, Birmingham en Guildford bevestigen dat het orkest zijn artistieke verhaal ook internationaal overtuigend weet te dragen.

Die dramaturgische zorgvuldigheid keert terug in januari, wanneer Dendievel zijn Schumann-cyclus opent met de Rheinische Symfonie. Dat Dendievel meteen kiest voor Schumanns breedste en meest architecturale werk verraadt een aanpak zonder omwegen: geen voorzichtige opbouw, maar meteen de volle omvang van het repertoire claimen. Met Cédric Tiberghien in Beethovens Vierde Pianoconcerto ontstaat bovendien opnieuw een duidelijke historische as tussen klassiek en romantiek, versterkt door de aanloop naar het Beethoven-jaar.

Ook Bartóks Muziek voor snaren, slagwerk en celesta krijgt een opvallende context: in samenwerking met Robbrecht en Daem architecten wordt licht ingezet als dramaturgisch element dat de structurele spanning van de muziek verdiept in plaats van illustreert. Net in zulke keuzes toont zich de intelligentie van de programmatie het scherpst.

Misschien is dat wel de kern van deze programmatie: de afwezigheid van nervositeit in een cultuursector die vaak geobsedeerd lijkt door permanente heruitvinding. Waar andere huizen hun relevantie soms zoeken in conceptuele overdrive, straalt dit seizoen vooral vertrouwen uit in repertoire, uitvoerders en muzikale continuïteit.

Dat blijkt ook uit de solistische keuzes. Victor Julien-Laferrière verschijnt niet alleen als cellist maar ook als dirigent in een programma dat Bach, Saint-Saëns, Mozart en Thierry Escaich samenbrengt, waarbij virtuositeit minder als showelement dan als vorm van artistieke bemiddeling verschijnt.

De samenwerking met jonge musici uit de Muziekkapel Koningin Elisabeth krijgt eveneens een structurele plaats binnen het orkestweefsel en mondt uit in een side-by-sideproject rond Berlioz’ Symphonie fantastique, gecombineerd met John Adams en een wereldpremière van Wim Henderickx. Zo wordt de generatielijn niet theoretisch benoemd, maar letterlijk hoorbaar gemaakt.

De afsluitende keuze voor Mendelssohns Italiaanse symfonie is in dat opzicht veelzeggend. Niet omdat ze monumentaal afsluit, maar precies omdat ze dat weigert te doen: het seizoen eindigt niet in monumentaliteit, maar in beweging, lichtheid en ritmische adem.

Een seizoen vol goesting blijkt zo inderdaad meer dan een slogan. Het is een programmatische houding die vertrouwen uitstraalt in repertoire, in musici en in de traagheid van artistieke ontwikkeling, waardoor een coherente artistieke lijn ontstaat zonder dwangmatigheid. Geen schreeuwerige heruitvinding, maar een orkest dat zijn identiteit stap voor stap scherper stelt en precies daardoor overtuigt.

Share this article

Comments

No comments yet. Be the first to comment.

Leave a comment

Comments are reviewed before they appear.

EN