Onder de gewelven van de Sint-Bartholomeuskerk in Merksem werd op zondagmiddag 14 december niet alleen Christus' geboorte gevierd, maar ook de vijfhonderdste verjaardag van Giovanni Pierluigi da Palestrina (1525–1594), de prins van de polyfonie. Het Antwerpse ensemble Melpomene, gespecialiseerd in renaissance en vroegbarok en al decennia onder de vaste, vakbekwame hand van Jan Melaerts, greep deze gelegenheid aan om een van de meest feestelijke creaties van de meester centraal te zetten – een keuze die vanzelfsprekend aanvoelde, zowel artistiek als historisch.
Palestrina’s Missa super Hodie Christus natus est – een weelderige, dubbelkorige achtstemmige parodiemis, gebaseerd op het gelijknamige motet – vormde de stralende as waarlangs het zorgvuldig samengestelde programma zich ontvouwde. Onder de titel “Noë, Noë” werd een muzikaal hoogtepunt bereikt waarin de geboorte van Christus en de vijfhonderdste verjaardag van de onsterfelijke meester in één luisterrijke viering samensmolten, en waarin ruimte, muziek en tijd even samenvielen tot één adem.
Zoals in een liturgie van weleer vloeide het Ordinarium van de mis samen met een zorgvuldig gekozen Proprium tot een muzikale ademhaling die de hele namiddag droeg: nu de ingetogen stilte van contemplatie, dan de opwaaiende jubel, en telkens weer die kristallijne, polyfone helderheid die als licht door de ruimte brak.
Het Melisma Consort – met orgel, flauto dolce, viola da gamba’s, violone en het helder articulerende positieforgel – kleurde de zanglijnen subtiel, historisch geïnformeerd en nooit opdringerig. In zijn interessante programmatoelichting verantwoordde Jan Melaerts deze keuze expliciet: Palestrina’s muziek werd in de grote Romeinse basilieken – zoals Santa Maria Maggiore, waar ook deze kerst-mis historisch klonk – wel degelijk met instrumenten ondersteund. Deze speelden veelal colla parte om de polyfone lijnen draagkracht, ampleur en plechtige glans te geven. Daarom koos Melaerts niet voor een strikt a-capellabenadering, maar voor een historisch verantwoorde inkleuring die de jubelende retoriek van de mis versterkt. Zo vergrootten de instrumenten precies datgene wat Palestrina’s retoriek ondersteunt: het licht, de vreugde, het muzikale goud van Kerst. Die visie werd consequent doorgetrokken in het volledige programma, wat het geheel een sterke stilistische coherentie verleende.
Feestelijke dubbelkorigheid en ingetogen devotie
En zo opende de namiddag met twee zesstemmige kerstmotetten van Heinrich Isaac (1450-1517), Puer natus est nobis en Angeli, Archangeli. Melpomene liet deze vroege polyfonie klinken met een koorklank die zich onmiddellijk breed, meanderend ontplooide. In Angeli, Archangeli wezen de uitgekiende uitgekiende klokslagen heel even vooruit, in klankassociatie, naar Arvo Pärt. De kapelmeester van het Habsburgse universum had zich nauwelijks een mooiere hommage kunnen wensen.
Dan, als een rituele onthulling, klonk Palestrina’s motet Hodie Christus natus est: het fundament van de parodiemis. De dubbelkorigheid maakte de feestelijke spanning tastbaar, waarbij vraag en antwoord tussen de koren ruimtelijk uitgesponnen werden. Aansluitend vloeide het Kyrie van de mis voort uit datzelfde muzikale DNA, en het ensemble liet dat overtuigend horen. De verwantschap met het motet werd geen theorie, maar hoorbare werkelijkheid.
De overgang naar de vroegbarok werd elegant gemarkeerd door het achtstemmige Canzone “La Negrona” van Pietro Lappi (1575–1630). Het Melisma Consort speelde met een charmante lichtheid, in een bijna dansende respons tussen twee vierstemmige groepen, waarbij alles doordrenkt was van stilistisch bewustzijn. Hier klonk een renaissance die al voorzichtig naar het concertante gebaar neigde, zonder daarbij haar wortels te verloochenen.
Met het Gloria keerden we naar de miszetting terug. Melaerts nam het jubelkarakter serieus maar nooit pompeus: helderheid primeerde, de structuur bleef doorzichtig. Uitbundige momenten wisselden met verstilling af, en de tekstverstaanbaarheid bleef ook in de rijkere passages opmerkelijk verzorgd.
Het vijfstemmige Canite tuba van Jacobus Gallus (1550-1591) ontvouwde een homogene mannenklank, stevig van contour maar fijn gecontroleerd. Dit werd als enige stuk toch a capella gebracht. Daarop volgde het negenstemmige dubbelkorige Angelus ad pastores ait van Hans Leo Haßler (1564-1612), waarin de Venetiaanse erfenis van zijn studies bij de Gabrieli’s onmiddellijk hoorbaar werd. De meerkorigheid schitterde lichtvoetig en ritmisch levendig; Melpomene hield de balans steeds voorbeeldig gelaagd en muzikaal doorzichtig. Een feestelijke afsluiter met mooie variaties op” Salvator mundi” en “Alleluja”, speels gebracht. Daarbij liet de overgang van Gallus’ compacte mannenkoor naar Haßlers monumentale dubbelkorigheid de ruimte met een uitbundige vitaliteit, een Venetiaanse vreugde die via Haßler naar het Noorden werd gedragen en later naadloos zou terugkeren in Gabrieli’s zevenstemmige Canzon VI.
Na de monumentale boog van de eerste helft verschoof de focus in het tweede deel naar meer verstilling en intimiteit. Het Credo werd niet als zwaar blok polyfonie gebracht, maar als een geloofsbelijdenis die door de ruimte zweefde, met het Et incarnatus als meest intense moment. Het Agnus Dei, het laatste deel van de parodiemis, werd bijzonder fijn aangesneden na een gregoriaanse zetting. De stilte die daarop volgde in de kerk was veelzeggend en werd pas daarna voorzichtig doorbroken. De verwijzingen naar het motet Hodie Christus natus est werden nergens didactisch uitgespeeld; ze waren er omdat Palestrina ze schreef, en omdat de uitvoerders ze begrepen.
Canzon VI (zevenstemmig) van Giovanni Gabrieli (1555-1612) werd door het Melisma Consort neergezet met een ruimtelijke helderheid die wonderwel overkwam in de kerkakoestiek. De verwantschap met Haßler – metrische flexibiliteit, glanzende koperimitaties vertaald naar gamba en fluit – was bijna tastbaar: het geheel klonk weelderig verfijnd.
Daarna schakelde het programma om naar het meer intieme domein: het Spaanse pareltje Si la noche haze escura, de sobere, bijna ascetische vijfstemmige versie van Angelus ad pastores ait van Orlandus Lassus (1532-1594), en het poëtische Catalaanse volkslied Mareta, Mareta ontvouwden zich als fragiele ademhalingen in de ruimte. De koorsolisten – Lies, Emily, Geert en Robbe – brachten deze Spaanse werken met een tederheid die nooit sentimenteel werd. Daarnaast liet Melaerts het koor in Lassus ademen; eenvoud mocht opnieuw eenvoudig zijn. Tegelijk boden deze intieme momenten een prachtig contrast met de machtige, dubbelkorige misdelen. De vergelijking tussen de twee versies van Angelus ad pastores ait werkte als een stilistisch venster: Haßlers versie schitterde als een uitbundig klankeffect, terwijl Lassus’ vijfstemmige variant bewonderenswaardig puur en sober bleef, volledig gericht op de tekstuele essentie en de innerlijke schoonheid van de lijnen.
En dan – een finale die straalde: Haßlers dubbelkorige tienstemmige Hodie Christus natus est. Melpomene zette er een glans op die warm, vol en ritmisch schitterend was, waarmee niet alleen het Kindje Jezus, maar ook de vroegbarok met een triomfantelijk "Alleluia" werd ingeluid.
Daarna volgde een meer dan terecht enthousiast applaus, waarop Melpomene en het Melisma Consort nog een bisnummer aanboden. Met Werfet Panier auf im Lande van Georg Philipp Telemann (1681-1767) klonk een werk dat opviel door zijn ongewone, uitgesproken ritmische behandeling: energiek, scherp geprofileerd en opvallend motorisch. Koorsoli, voltallig koor en instrumentaal ensemble vonden elkaar hier in een alert en levendig samenspel. Tegelijk plaatste dit bisnummer het programma stilistisch resoluut in een volgende tijdslaag: Telemanns muziek ademde al duidelijk de geest van de volbloed barok en bood zo een speels en veelzeggend contrast met de polyfone verfijning van Palestrina en zijn tijdgenoten.
Polyfonie als tijdloze adem
Toegegeven, soms had het koor in de hoogte hoorbaar wat te werken, en bij enkele forte-passages voelde men dat een iets ruimere bezetting welkom zou zijn geweest. Dat bleef echter sporadisch en deed geen afbreuk aan de stilistische integriteit of de muzikale overtuiging van het geheel.
Melpomene heeft met dit programma niet zomaar een kerstconcert gebracht, maar een muzikale boog over twee eeuwen polyfone pracht gespannen. De zorgvuldige programmatische architectuur, de historisch geïnformeerde instrumentale inkleuring en bovenal de heldere, sobere leiding van Jan Melaerts maakten van deze namiddag een viering van diepe overtuigingskracht en ingetogen schoonheid, die door een talrijk en aandachtig publiek zichtbaar werd gesmaakt.
Het was een warm schitterpunt in de adventstijd – een liefdevol, waardig eerbetoon aan Palestrina, eeuwige meester van het licht. Dit was geen kerstconcert dat mikte op effectbejag, maar op stijl, balans en innerlijke vreugde. In een tijd van Jingle Bells bood Melpomene een bezinnend alternatief dat terugging naar de essentie: polyfonie als tijdloze adem, en als verstild voorspel tot Kerstmis.