Soms ontvouwt een concert zijn eigen dramaturgie nog voor de eerste noot klinkt. Zo ook op zaterdag 21 maart in Flagey: een traject van verstilling naar uitbundige expressie, van het Japanse klankdenken van Toru Takemitsu (1930-1996) en Toshio Hosokawa (°1955) naar de romantische wereld van Sergei Rachmaninov (1873-1943). Brussels Philharmonic bracht een programma dat chef-dirigent Kazushi Ono duidelijk nauw aan het hart lag. Onder zijn leiding toonde het orkest zijn veelzijdigheid: met dezelfde vanzelfsprekendheid bracht het hedendaagse verfijning en romantische expansie tot leven. Wat zich hier ontvouwde, was niet zomaar een programmatische tegenstelling, maar een zorgvuldig opgebouwde spanningsboog van binnen naar buiten.
De stilte als oorsprong
Met A Flock Descends into the Pentagonal Garden opende de avond als een langzaam ontvouwend klanklandschap waarin de tijd eerder cirkelvormig dan lineair lijkt te verlopen. Toru Takemitsu vertrekt vanuit het principe van “ma”: de geladen leegte tussen klanken. De partituur bestaat uit klankvelden die verschijnen en verdwijnen als natuurlijke fenomenen. Fragmenten in houtblazers, strijkers en percussie vormen geen klassieke thematische ontwikkeling, maar een spel van kleur en resonantie. Takemitsu nodigt uit tot een bijna meditatieve luisterhouding.
Ono gaf dit ogenschijnlijk vrije materiaal een duidelijke structuur. Door frasen te verbinden en overgangen zorgvuldig te sturen, ontstond een heldere spanningsboog. De transparantie bleef intact: onder de verstilling bleef beweging voelbaar. Strijkers lieten hun toon oplossen in de ruimte, lage registers voegden een zachte resonantie toe. Opvallend was hoe afzonderlijke klankgebaren – vaak kort en fragiel – toch een onderhuidse continuïteit suggereerden. Geen nevel, maar een geconcentreerde klankruimte waarin elke klank zijn plaats vond.
Een klank die groeit en verdwijnt
In Genesis van Toshio Hosokawa kreeg dat principe een uitgesproken dramatische dimensie. Het werk ontvouwt zich als een proces van ontstaan en transformatie: de viool staat niet tegenover het orkest, maar groeit eruit voort en keert er uiteindelijk weer in terug.
Centraal stond violiste Veronika Eberle, internationaal veelgevraagde soliste. Dit werk werd enkele jaren geleden voor haar geschreven, wat de uitvoering een persoonlijke lading gaf. Haar spel vertrok vanuit een bijna gewichtloze toonproductie, waarin de klank zich niet opdrong maar geleidelijk ontvouwde. Die lijn hield zij consequent vast, met een ingetogen en ademende frasering en lange lijnen die organisch groeiden.
Hosokawa bouwt spanningsbogen die eerder energetisch dan thematisch zijn: de opbouw voltrekt zich via densiteit, register en kleur. In geconcentreerde passages liet Eberle haar toon versmallen tot een fragiele draad, terwijl zij in intensere momenten de klank liet verdichten zonder te verharden. Het orkest volgde die beweging nauwgezet. Onder leiding van Ono ontstonden klanklagen die zich over elkaar heen schuiven en weer oplossen, resulterend in een voortdurend transformerend klankveld. Houtblazers fungeerden als lichtpunten, strijkers als ademende massa, percussie als subtiele articulatie van tijd. Bij momenten leek de soloviool letterlijk uit het orkestweefsel op te lichten en er weer in te verdwijnen.
Zo kreeg het werk zijn volle betekenis: geen verhaal, maar een proces – muziek die zich in het moment blijft heruitvinden. Na afloop reageerde het publiek met warm en uitbundig applaus, een teken van de sterke impact die de hedendaagse compositie op het publiek had.
Als bis speelde Eberle indringend mooi het tweede deel uit de solosonate van Sergei Prokofiev.
De kunst van het doseren
Na de pauze klonk de Tweede Symfonie van Sergei Rachmaninov – een ander universum, waarin melodie en harmonie het materiaal vormen. Waar Takemitsu en Hosokawa vertrekken vanuit stilte, groeit bij Rachmaninov die ruimte uit tot een wereld van lyriek en beweging. Het contrast kon nauwelijks groter zijn: Japanse esthetiek tegenover een weelderige romantiek. Toch voelde het geheel als één spanningsboog – een treffende illustratie van “les extrêmes se touchent”.
De symfonie is cyclisch opgebouwd: motieven keren terug, transformeren en verbinden de vier delen tot een organisch geheel. Ono legde de nadruk op lange spanningsbogen, waardoor de architectuur helder naar voren kwam zonder in detail te verzanden. Opvallend was hoe het publiek zich liet meevoeren: na het eerste en derde deel klonk spontaan applaus – een directe reactie op de overtuigende spanningsopbouw.
De langzame inleiding van het eerste deel zette meteen de toon: donker gekleurd, met een geleidelijke opbouw waarin het thematisch materiaal zich onderhuids ontwikkelde. In het Allegro ontvouwde zich een brede symfonische beweging waarin lyriek en stuwing in evenwicht waren. Ono hield de lijn strak, met relatief vloeiende tempi en een gecontroleerd rubato, waardoor de spanning organisch groeide. Het scherzo bracht contrast, maar bleef stevig verankerd in dezelfde thematische wereld. Ritmische scherpte en motoriek kregen hun plaats zonder dat de transparantie verloren ging. Ook in de meer gedreven passages behield het orkest zijn klankschoonheid.
In het Adagio kwam Rachmaninovs lyriek volledig tot bloei. De klarinetmelodie fungeerde als moment van verstilling én als structureel ankerpunt. De strijkers weefden er een warm, voortdurend bewegend harmonisch veld omheen, waardoor de melodie bleef ademen. Ono’s gevoel voor balans kwam hier duidelijk naar voren: elke frase werd gedragen zonder te worden uitgesponnen.
De finale bracht de ontlading, maar bleef stevig verankerd in de thematische en ritmische logica van het werk. Ono hield de textuur helder, waardoor de rijkdom aan stemmen nooit vervaagde in massiviteit. De dynamiek ontwikkelde zich in brede golven, met een vanzelfsprekende opbouw naar de slotclimax. Zijn interpretatie koos voor klankschoonheid en innerlijke spanning: intens zonder overdrijving, indringend zonder effectbejag. Het orkest volgde die benadering met zichtbaar spelplezier.
Van binnen naar buiten
Wat deze avond bijzonder maakte, was de onderliggende beweging die de drie werken met elkaar verbond. Takemitsu vertrok vanuit stilte, Hosokawa liet daaruit klank ontstaan, en Rachmaninov vulde die ruimte met melodische en harmonische rijkdom.
Het resultaat was een traject van suggestie naar expressie. Brussels Philharmonic volgde Kazushi Ono, die zichtbaar genoot, in die ontwikkeling met grote coherentie, waarbij zowel detail als vorm volledig tot hun recht kwamen. Wat begon als een verkenning van stilte, eindigde in een volle, gedragen klankwereld. Zo groeide het concert uit tot meer dan een uitvoering: een ademende lijn die zich ontvouwde als een ervaring in de tijd – muziek als proces, beweging en vorm.