Zum Inhalt springen
Rezensionen

Vox Luminis brengt Monteverdi met overtuiging, maar zoekt niet altijd de nuance

D
· 9 Min. Lesezeit
Diesen Artikel teilen
Vox Luminis brengt Monteverdi met overtuiging, maar zoekt niet altijd de nuance

In een afgeladen volle Carolus Borromeuskerk trad Vox Luminis onder leiding van Lionel Meunier aan met Monteverdi’s Vespers. Het massaal opgekomen publiek keek duidelijk uit naar een boeiende, barokke en vooral overdadige avond. Zo staan deze vespers nu eenmaal bekend: waar ze ook worden uitgevoerd, de concertzaal of kerk is gegarandeerd afgeladen en dat is niet anders bij Laus Polyphoniae.

Monteverdi’s Vespro della Beata Vergine is dan ook bij uitstek een compositie die zich ergens tussen de renaissancepolyfonie en de vroegbarok bevindt. Het is bovendien algemeen geweten dat Monteverdi deze vespers niet zozeer schreef voor puur liturgisch gebruik, maar ook als een soort muzikale toegangskaart voor een positie in Rome. Hij haalde daarom al zijn kennis, kunde en vakmanschap uit de kast. Het resultaat is muziek van de meest exuberante soort, met een intens muzikale vertaling van de psalmen en prachtige instrumentale intermezzi. Een avond om op het puntje van je stoel te gaan zitten.

Vox Luminis trad aan met een ensemble van een achttiental zangers en een zeventiental instrumentalisten. Het podium in de Carolus Borromeuskerk was dus goed gevuld.

Deze muziek gaat bij mij al erg lang mee. Vanaf mijn jonge jeugd ben ik verslingerd aan Monteverdi, zowel aan zijn prima pratica als aan zijn seconda pratica. Ik was toen al begeesterd door de rijkheid, de grootsheid en de ruimtelijkheid van zijn muziek en door de uitvoering van het Monteverdi Choir (Gardiner 1990)  in de San Marco in Venetië. Nadien zijn vele tientallen opnames en concerten gevolgd. Ik kan me dan ook best inbeelden dat het voor uitvoerders vaak zoeken is naar een evenwicht tussen een eerder traditionele uitvoering en een interpretatie die iets nieuws toevoegt.

Naar mijn aanvoelen koos Meunier deze keer vooral voor een traditionele uitvoering. En daar is absoluut niets mis mee.

De Monteverdivespers is zo’n concert waarvan je gewoonweg weet dat de eerste noten de toon (moeten) zetten. Dat is ook logisch, want een vesper begint met Deus in adiutorium meum intende: een tekst die met luide stem het hele verhaal in gang zet. Zo was het ook hier. Het ensemble klonk vanaf de start overtuigend, zelfverzekerd en gedragen.

Typisch voor Vox Luminis is dat er geen dirigent vooraan staat. Meunier kiest ervoor om, wanneer directie nodig is, die vanop de achterste rij te geven. Dat is niet altijd evident. Dat merkte je bijvoorbeeld aan de theorbespeler, die zich regelmatig in vreemde hoeken moest wringen om enige aansturing van Meunier mee te krijgen. Toch begrijp ik Meunier heel goed: hij wil vooral zingen. Hij is dan ook met stip een van de meest mature stemmen van het ensemble.

Zijn directiestijl is erg organisch. Met de partituur in zijn handen belichaamt hij de muziek. Zijn sturing komt maar af en toe via een duidelijke armslag, maar vooral via de houding en expressie van zijn lichaam, die hij met zijn medemusici probeert te delen. Kort gezegd: de muziek wordt van binnenuit geleid.

Misschien ben ik daar extra gevoelig voor omdat de indrukwekkende psalmen van Monteverdi zo hard in mijn hoofd gecodeerd zitten. Een ritmeverschil of een dynamische keuze springt er onmiddellijk uit. Daarom viel het me op dat op sommige plaatsen voor een opvallend trager tempo werd gekozen dan ik gewend ben. Bijvoorbeeld bij Dixit Dominus (tuos) en later bij Laudate pueri Dominum (sucitans).

Wat als een rode draad door het hele concert liep, was de volle klank. Ik hou daar eigenlijk van. Een uitvoering van de vespers met een koor dat maar wat staat te neuzelen, is not done. In dit geval was die volle, rijke klank in de koordelen van begin tot einde aanwezig.

Maar soms leidde die volheid ook tot een lichte vorm van klankverveling. De psalmen van Monteverdi zijn uiteraard spektakel van begin tot einde. Maar ik denk dat het spektakel er ook in kan zitten door binnen een psalm niet alleen dynamiek in volume te zoeken, maar ook een doorgedreven interpretatieve benadering van het woord. En daar moet ik eerlijk zijn: door zo sterk de nadruk te leggen op de volheid van de klank is er naar mijn mening af en toe echt wat nuance verloren gegaan. Als die nuance sterker was aangebracht, had ze het concert een nog rijker palet aan emoties kunnen meegeven.

Op zich zijn dat misschien spijkers op laag water, want het zingen was uiteraard van hoog niveau. En ik wil ook niet beweren dat er geen momenten van verstilling waren. In Dixit Dominus (de torrente) bijvoorbeeld had ik echt het gevoel dat er nadruk werd gelegd op een zachtere, meer interpretatieve aanpak.

Een eerste hoogtepunt voor mij was Nigra sum, het solostuk dat Monteverdi duidelijk met zijn opera-brain heeft geschreven. De tenor die het zong, deed dat met een volle, gedragen stem. Je zag en merkte dat hij de muziek bezat, en tegelijk dat de muziek hem bezat. Hij leefde zich volledig in het stuk in en spreidde voortdurend een zekere virtuositeit tentoon.

Het is geen eenvoudig stuk om uit te voeren, maar tegelijkertijd straalde er ook een grote menselijkheid uit. De tenor streefde niet zozeer naar de perfectie van de uitvoering, maar ook naar de interpretatie richting publiek. En dat werkte volledig. Zijn virtuositeit kwam volledig tot uiting in surge et propera, maar zijn menselijkheid kwam misschien nog het meest naar voren in de laatste zin, waarin hij een zekere breekbaarheid tentoonspreidde bij de tekst over het aanbreken van de tijd om te snoeien. Machtig!

De psalm die nadien volgde, Laudate pueri, bracht opnieuw die Venetiaanse grandeur. Maar ook hier was er een moment waarop de stilte of verstilling  zijn werk deed. Op het moment dat de dissonanten die Monteverdi in zijn muziek verwerkt sterk naar boven kwamen, hoorde je plots een andere kant van de zangers.

De sopraansolo’s overtuigden dan weer niet altijd. Pulchra es startte eerder zwak. Misschien had de sopraan gewoon niet haar beste dag. Je zag het niet noodzakelijk, want de connectie met het publiek was er absoluut, maar ik miste de sprankeling in de stem.

In Laetatus sum miste de basso ostinato bij de start voor mij wat definitie. En misschien is dat te wijten aan  het ontbreken van directie vooraan: het duurt soms een aantal seconden voor alles in elkaar klikt. Het zijn net die paar seconden die essentieel kunnen zijn voor de start van Laetatus sum.

Tussen al die koordelen was Duo Seraphim een tweede hoogtepunt. De drie tenoren zongen voortreffelijk. Het was niet de beste uitvoering die ik ooit van Duo Seraphim heb gehoord, maar wel een erg doorleefde. De psalm Nisi Dominus die daarna volgde, bracht opnieuw de uitgesproken volle klank, maar met een zeker dansend aspect in Sicut sagittae. En zo zag ik eigenlijk in elk onderdeel wel iets waarvan je denkt: ah, dat is anders, dat is leuk. Dat bevestigde dan ook mijn idee: als men dát wat doorgedrevener had toegepast als rode draad door het hele werk, had het concert nog meer vocale rijkdom en verrassing gekregen.

Het absolute hoogtepunt van de avond volgde voor mij nadien met Audi coelum. Ik heb daar in mijn notitie letterlijk “Bravo” bij geschreven.

De tenor die Audi coelum zong, start letterlijk, quasi visueel, met een smeekbede naar de hemel. Een prachtige start, met een tenor die het overtuigende timbre bezit om dit stuk te zingen en bovendien zeer goed weet wat hij aan het zingen is. Hij gaf dat op een erg doorleefde, toegankelijke en breekbare manier door aan het publiek.

En dan is er natuurlijk wat Monteverdi met dit stuk doet: tekst en echo. Subliem. De echo, waarvan je aanvankelijk denkt dat die alleen maar herhaalt, krijgt eigenlijk een eigen tekst en een eigen boodschap. En dan het magistrale moment waarop het koor opnieuw in volle kracht invalt "Omnes!".

Lauda Jerusalem werd beheerst aangezet. Het is duidelijk dat hier niet gezocht werd naar overdadig spektakel. Mooi gezongen, vlot gebracht.

In Sonata sopra Sancta Maria kreeg het instrumentale ensemble carte blanche om zijn kunnen te bewijzen. En dat deed het ten volle. Het volledige kleurenpalet dat Monteverdi had voorzien, werd opgepikt door de instrumentalisten, terwijl de sopraan op een bijzonder overtuigende en zachte manier de cantus firmus zong.

En toen dacht ik: dát klinkt zo mooi. Want waar de sopraan in het vorige stuk soms wat scherp klonk, was hier plots een totaal andere klankkleur aanwezig.

Ave maris stella is voor mij een van de meest polyfone delen van de hele Vespro. Het werd voortreffelijk gebracht en de verschillende strofen werden telkens op een andere manier geïnterpreteerd. Het was een stuk dat mooi en daarmee een uitstekende aanzet gaf naar het Magnificat.

Het Magnificat van Monteverdi is een stuk waarin heel veel combinaties van stemmen worden gebruikt. Dat leverde ook behoorlijk wat beweging op het podium op. Dat is op zich niet storend, al kan het misschien wel wat vreemd overkomen voor luisteraars die het concert thuis volgden, want het programma werd live uitgezonden.

Bij beatam me dicent  wisselden de cornetti hun instrument in voor blokfluiten. Het gaf opnieuw die andere kleur en die andere insteek. Ook de intimiteit met Ecce enim ex hoc kwam binnen.  En daar kan ik eigenlijk alleen mijn boodschap herhalen: dat was zo mooi… graag meer van dat.

Bij het laatste Gloria Patri et Filio haalt Monteverdi nog één keer alles uit de kast, onder andere opnieuw zijn echo-effect. En daar kon én mocht het ensemble terecht opnieuw die volle klank als laatste noten laten weerklinken.

De laatste noot golfde door de Carolus Borromeuskerk, ongetwijfeld tot buiten op het plein. En toen bleef het ettelijke lange seconden stil, alsof het publiek even moest bekomen van dit muzikale hoogtepunt, van dit klankbad, van deze prachtige noten uit de San Marco!

Om dan uit te barsten in een oorverdovend applaus dat zich ontwikkelde tot een staande ovatie. Ik kan het enthousiasme van het publiek begrijpen. En ik deel het ook.

Wat Meunier en Vox Luminis deze avond hebben gebracht, was een uitvoering die niet zou misstaan op de plek van de creatie zelf, in de San Marco in Venetië. Meunier koos voor een directe, krachtige aanpak en voor een uitvoering van de vespers geënt op de volheid van de klank. Dat werkte erg overtuigend en zorgde voor een erg mooie uitvoering die mij lang zal bijblijven als monumentaal en klankbad, maar niet persé als de meest genuanceerde.

WANNEER? WAAR? WAT?

vrijdag 28 augustus 2026 / Laus Polyphoniae 2026

20u Carolus Borromeuskerk / Vox Luminis

Foto's: Leslie Artamonow, Johan Jacobs, AMUZ

Diesen Artikel teilen

Kommentare

Noch keine Kommentare. Sei der Erste, der kommentiert.

Kommentar hinterlassen

Kommentare werden vor der Veröffentlichung geprüft.

DE